Ideemachine.nl
                                                                                                 

 

 

 

 

 

Eénoog.

In het dorp, recht onder de molen, woonde een bijzondere man. Zijn haar was nogal lang en hij liep ook een beetje krom. Maar dat was het niet. Nee, hij had maar één oog en dat maakte hem echt bijzonder.

Niemand was bang voor de man, want hij deed ook niemand kwaad. Het was eerder andersom. Hij was wel bang. Vooral voor kinderen. In de avond vlak na het eten kwam altijd een groepje langs of met appels en peren te gooien. Tegen het raam was het leukste, want dat klonk nogal hard. En dat was ook zo.

Elke avond sprong de man wel een paar keer omhoog, van schrik, als er weer eens zo'n appel tegen het raam aan kletste. En elke keer liep hij dan naar de deur en riep naar de jongelui dat dit de laatste keer moest zijn. Anders zou er wat zwaaien.

De kinderen moesten er slechts om lachen. De man kwam nooit verder de deur uit en vertelde ook niets tegen de ouders. Daarom werd de man ook nog eens flink uitgescholden. "He, Piet Piraat" riepen ze dan. Sommigen pakten een stok en deden net of ze een houten been hadden.

De man had een probleem. Zijn ene oog, die nog over was, deed het ook niet helemaal goed. Ook zijn benen deden constant pijn. Hij was een veteraan, een man die in de oorlog gewond was geraakt. Maar dat wist niemand in het dorp. De man durfde namelijk niet goed met andere mensen te praten. Het lukte hem gewoon niet. Dus schikte hij zich in het lot. Een bangerik, een eenzame man met één oog met niemand in het dorp waarmee hij zijn problemen kon delen.

En zo ging het jaren door. Soms werd het erger en soms gebeurde er een tijdje niets. Uiteindelijk was heel het dorp op de hoogte dat er onder de molen een zonderling woonde. Een man met één oog, die niets deed en altijd schuw rond liep. Er was ook niemand die met de man ging praten. Het ging toch goed zo! De jeugd had een beetje lol en sommige ouders ook en van de man had verder ook niemand last.

Op een dag werd alles anders. Na de derde appel die week tegen het raam, knapte er iets in de man. Zijn angst en schuwheid verdwenen als sneeuw voor de zon en maakte plaats voor iets anders. Voor één keer zou hij zich verweren. Iets wat hij niet wilde doen, omdat hij gezien had wat wraak kon doen met de mens.

Daarom zocht hij een juiste manier.

De volgende dag - boem - een appel. De kinderen lachten al en bleven geduldig staan wachten. Maar er gebeurde niets. Nog een appel....niets...nog één...niets. Teleurgesteld, stelde de oudste voor om dan maar een echte steen te gaan gooien. Kabang, daar ging het raam, maar wederom was het stil.

Totdat ineens vanuit het niets een rookpluim verscheen tegelijkertijd met een grote knal. De kinderen schrokken, maar bleven staan omdat ze misschien wel een mooie fik konden gaan zien. Maar het was geen brand, nee, een flinke rookgranaat had de mist veroorzaakt en uit de mist stapte de man.

De man droeg nu een rode band om zijn haar en had knoopjes in zijn baard gezet. Een zwarte lap hing schuin over zijn gezicht en ook een groot zwart litteken was op zijn wang geschilderd. Een blouse en pofbroek met grote laarzen maakten het compleet. Hier stond een piraat. Een echte! Met ook nog eens een zwaard. De kinderen schrokken zich een hoedje en de man brulde keihard.

Het was de laatste keer dat er ooit maar één appel tegen het raam van de man aan vloog. De politie kwam langs en sprak met de man. De week daarop mocht de man bij de burgemeester op de koffie. Ook vertelde hij zijn verhaal op school.

Die dag maakte zijn leven weer heel anders.

 

(een verhaal over PTSS)

 

E-mailen
Map
Info