www.ideemachine.nl (Robots&Zo)
                                                                                                 

Verhaaltje 6.


Rennen en zo.


Het dikke hoofd van de burgemeester leek op een tomaat (met pukkel). Een rotte welteverstaan, want de kleur was vuurrood met hier en daar witte vlekken. Het slijm en spuug van de kleine man verspreidde zich via zijn baardje naar zijn wangen en uiteraard ook op zijn keurig gestreken jasje. De echtgenote daarentegen was zo bleek als een pot suiker en lag roerloos op de grond. Hoewel ze flauw was gevallen, deed de burgemeester helemaal niets. Ja, schreeuwen en brullen en stampen op de grond zo erg dat het balkonnetje trilde. Een opgehangen bloempot viel op de grond en spatte uiteen. Als het daar bij was gebleven dan viel het wel mee. Maar....Beneden op de markt kon de situatie als erger worden aangemerkt. Diverse kinderen gilden en renden heen en weer op zoek naar een veilige plek, die slechts voor de meesten onder de rok van moeder was te vinden. Alle stegen en straten werden door robots bewaakt en niemand kon erin of uit. De reden daarvoor werd enkele minuten geleden veroorzaakt door Doppeltje.

Zoals gezegd probeerde men, de robots dus, op bevel van de burgemeester, hij priemde met zijn vinger richting Doppeltje en schreeuwde daarbij keihard, het hondje te grijpen. Bij de eerste poging liep het beestje weg en dacht meteen dat er een spelletje werd gespeeld. Zodoende duurde het een tijdje voordat de robots in de gaten hadden dat dit beest zich niet zomaar liet vangen. Eén van de grotere robots stuurde snel een aantal robots naar alle uitgangen van het plein. Ze begaven zich snel er naar toe en blokkeerden met hun uitrek-tentakels de wegen en stegen. Daarna begon pas de echte ellende.

Doppeltje rende met plezier in het rond en botste keer op keer met zijn kwijlende bek tegen de mensen aan. En....dat had als gevolg dat als eerste alle vrouwen begonnen te schreeuwen, want niemand had trek in een vieze vlek op de kleding. Tot overmaat van ramp gooide Doppeltje diverse kinderen pardoes omver. Enkelen begonnen te huilen wat de situatie er niet beter op maakte. Maar echt een drama werd het toen iemand in het publiek riep dat de hond, zo warrig en pluizig als hij eruit zag, misschien wel een vlooi had. De beste mevrouw ernaast riep meteen dat er vlooien bij de hond aanwezig waren. De man daarnaast vertelde gauw dat er een groep ongedierte op de hond zat en de volgende noemde de mogelijkheid dat er een rat aan de staart van het hondje bengelde. Jullie begrijpen....binnen één minuut gilde er iemand aan de overzijde van het plein dat er een groep van ratten op weg waren om iedereen op het plein te besmetten met viezigheid en ziektes. Er brak zodoende een paniek uit ter vergelijking met een popconcert waar duidelijk wordt dat de jonge mannelijke artiest alsnog na twee uur wachten niet op komt dagen vanwege een onbegrijpelijk en nimmer uitgelegd "iets" wat hem schijnt te verhinderen. 

Doppeltje vond het allemaal nog leuker dan hij had kunnen vermoeden. In zijn ogen speelde iedereen mee, huilden alle kinderen van plezier en daardoor rende hij nog harder en harder. Skittel zag het aan en knipperde onafgebroken met zijn vraagteken. Toen hij berekende dat de paniek niet in zijn voordeel zou zijn begon hij ook maar te schreeuwen.

"Nee, Doppeltje is lief. Niet doen. Hij wil alleen maar naar zijn baasje, de burgemeester en zo". Het hielp natuurlijk niets. Uiteindelijk kreeg een vangnet van een tuin-robot het hondje te pakken en de rust keerde weer terug. Het plein was inmiddels omgetoverd tot een puinhoop. Overal lagen mensen op de grond, kinderen onder de rokken en de mannen schijnbaar stoer ernaast in de veronderstelling dat er misschien een monster zou komen. Niets was minder waar. Doppeltje stopte met blaffen en een rust daalde neer op het plein. Dit gaf de burgemeester de gelegenheid om direct zijn daadkracht te tonen. Hij liet zijn echtgenote nog steeds voor wat het was en richtte zich naar de mensen en robots op het plein.

"Vrienden....jullie zien wat vreemdelingen en honden kunnen veroorzaken. Het is maar goed dat ik ze heb laten vangen...eh...nou ja....eh, ik heb de controle weer, dank u. Laten we het tweetal onmiddellijk verwijderen uit ons prachtige dorp, zodat...."

"Eh, burgemeester", riep iemand uit het publiek. "De robot zei dat het uw hond was, klopt dat?"

De burgemeester keek verschrikt in de richting vanwaar de stem vandaan kwam en zag uiteindelijk een klein jongetje dat met zijn vinger omhoog wees.

"Eh, nee...natuurlijk niet, jongetje. Hoe heet je?"

"Ik ben Pim en eh....." Zijn moeder greep snel in en borg het ventje op onder haar rok. Snel voegde ze toe dat Pim een beetje koorts had en dus.....

Maar Skittel kreeg op deze manier geen goed idee wat er gebeurde. Hij had nog niet zoveel geleerd van de mensen om te weten wat hij het beste kon doen. Hij stak zijn grijptentakel omhoog. "Het klopt hoor.....u bent het baasje van Doppeltje. Ik kwam hem terugbrengen en...."

Ook Skittel kon zijn zin niet afmaken.

"Duivel en blik, nog an toe. Ik ben de baas. Dat klopt. Van iedereen...dus ook van jou, smerige robot en ook van dat onding wat je een hond noemt.", brieste hij. Het hele plein hield de adem in. Ze wisten dat een boze burgemeester geen pretje was. De vorige keer dat hij boos werd, had hij het zomer-carnaval afgezegd. De keer daarvoor mocht er geen tweede Kerstdag worden gevierd. Niet dat de mensen dat nog echt deden, maar het waren wel vrije dagen en één van de weinige dagen dat het gezellig in het dorp kon worden genoemd. En dus....juist omdat men niet alweer vrije dagen wilden kwijtraken, klonk er een voorzichtig; "Weg ermee. Naar de put....Naar de put". Al snel riep iedereen uit volle kracht "Naar de put, Naar de put."

Skittel begreep er nog steeds niets van. "Moest Doppeltje nu in een put worden gestopt? Maar hij was net verlost van een ketting", zo berekende hij. Skittel zei tegen de robot naast hem dat dit zielig was, maar de robot zei niets terug. Sterker nog...niemand luisterde naar hem.

Ergens in een hoekje van het plein stonden Klingel en Klopper.

"Mond dicht Klopper", zei Klingel.

"Mond dicht, ja natuurlijk Klingel...natuurlijk".

Deze robot was verloren, zo dachten ze beiden. Bovendien gaven ze er niet veel om Skittel. Een nieuw skelet lag al in de schuur. Maar dat ze nooit meer zo'n robot zouden kunnen bouwen, dat wisten ze niet.


De put en zo.


Doppeltje gromde naar de robot die het net met één tentakel vast hield. Hij bungelde vlak boven de grond en kon zich nauwelijks verroeren. Angstig, de ogen ver uitgepuild, keek hij naar Skittel in de hoop dat die hem kon redden. De twee brute robots hadden echter ook Skittel weer vastgepakt en sleepten hem mee. In de verste hoek van het plein was een nauwe steeg. Zo eentje waar je net doorheen kon lopen, maar niet met z'n tweeën. Skittel werd daar losgelaten en vooruit geduwd. Hij kreeg een flinke por in zijn skelet.

"Hey. Ik ben ook een robot hoor. Zo gaan we toch niet met elkaar om", zei hij tegen de robot die achter hem liep.

"Kop houden, blikvoer. En doorlopen nu". De robot achter hem had twee ogen. Twee kleine rode stralen vielen recht in de ogen van Skittel. Hij vond het vreemd en het vraagteken flikkerde op.

"Haha....een vraagteken. Bereken jij nu werkelijk dat ik antwoord ga geven. Ik luister alleen naar mijn baas, weet je blikvoer".

Na deze woorden gebeurde er iets in Skittel...Iets onverwachts, iets wat hij niet wilde, maar brein berekende dat de brein-afdeling dicht bij het skelet begon te borrelen. De druk liep daar flink omhoog en de temperatuur ook. Zo ook met mensen die boos worden, zo werd Skittel "boos" op zijn eigen manier en ergens....ergens, moest de boosheid eruit. In dit geval via zijn spreeksysteem.

"Jou baas", begon Skittel met trillende stem...."Die eh...even wachten...woordenboek erbij. Zo ja.... Die griezelige, miezerige, druilende, mini-muil-dwergachtige, tomaat-rode, papfles-figuur op het balkon bedoel je zeker", zei Skittel brutaal en zonder te trillen of te beven. De robot knipperde vijf keer met zijn ogen. Na een korte stilte leverde het Skittel weer een por op tegen zijn skelet. De Robot gromde een beetje. Doppeltje blafte keihard; "Ha, das een goeie, Skittel. Ik wil zo een mens niet meer als baasje. Ik zoek wel een ander, deze bijvoorbeeld. Stukken beter." Doppeltje keek Skittel met zijn grootste ogen ooit aan, wat betekende dat ze bijna uit zijn kop vielen. Skittel gaf hem een knipoog. 

Hoe dan ook. De griezel op het balkon werd niet meer gezien. Zo ook alle andere mensen op het plein niet en hoewel de put net buiten het dorp lag, was ook Gerardo in geen velden of wegen te bekennen. Skittel hoopte dat Gerardo hen kwam redden, maar er was niemand in de buurt. Geen mens zien, alleen een paar rotte robots (We kunnen ze best Rot-Bots noemen) en één hondje. 

De put echter, was een enorme verrassing.

De put waar Skittel op wachtte, bestond namelijk niet. Althans niet zoals het woordenboek het met dit woord heeft bedoeld. Nee, de put betrof een gang. Een lange gang, die als je ver naar binnen keek, alleen maar steeds donkerder werd. Het einde leek op een zwart gat. De ingang van de zogenaamde put bestond, zo leek het, uit de voor - of achterzijde van een ijzeren buis. "Misschien was het ooit als riool gebruikt", berekende Skittel, maar hij zag op het laagste punt geen viezigheid, behalve een klein streepje bruin water.

"Dit is geen put, Robotje-lief", spotte Skittel en zette een brede glimlach op. "Misschien is je baas wel zo dom dat hij niet weet wat een put is. Ga het hem vragen, schiet op". Skittel wees met zijn vinger richting het dorp.

De grootste robot kwam naar voren en wees zonder iets te zeggen met zijn tentakel naar de ingang.

"Wie of wat hierin gaat, komt nooit meer terug. Het is maar dat jullie het weten, poppetjes. En eh....nog de groeten van onze baas", spotte hij terug. Een brede glimlach kon hij echter niet opzetten, vanwege de hardheid van zijn gezicht wat van grof plastic was gemaakt.

Skittel knipperde drie keer en draaide zich toen naar Doppeltje.

"Kom Doppeltje, we gaan gewoon. Voor mij is dit geen put, maar een ingang. En ooit komen we bij jou terug, dat beloof ik".

"Poehoe, poppetjes...Ik krijg tranen in mijn ogen". Alle robots begonnen te lachen en Skittel berekende de vraag hoe het ooit mogelijk was geworden dat robots zich zo gedroegen. De baas van het dorp had hen kapot gemaakt, besmet, veranderd en wellicht helemaal verkeerd opnieuw ingesteld. Voor Skittel waren dit geen robots meer. Nee, het waren zielloze dienaren zonder kennis van goed robot-fatsoen.

"Heb jij een ziel?", vroeg Skittel aan Doppeltje voordat hij de gang instapte. Doppeltje volgde hem en zonder ook maar nog één keer achterom te kijken liepen ze samen verder.

"Een ziel...wat is dat, Skittel?", blafte Doppeltje en keek vol verwachting zijn nieuwe baasje aan.

"Kom, ik leg het je uit. Misschien hebben wij er wel één...of twee, wie weet."


Geheimen en zo.


Hoewel Skittel snel leerde werd het antwoord op de vraag door onze twee vrienden tijdens de wandeling in de lange gang niet gevonden. Niet zo vreemd voor een dier en een robot, maar...Skittel borg de vraag netjes op in afwachting van iemand of iets die het antwoord wel zou weten. Het leek hem belangrijk, gelet op het gedrag van de robots in het blikken-dorp. Zoals zij zich gedroegen, was niet pluis, zo berekende hij. Maar laten we verder gaan.

De buis, want dat was "de put", bestond uit één geheel. Een sterk geheel van grijs beton en Skittel vreesde dat zijn ingang wellicht de uitgang van iets anders kon zijn. En uitgangen....hoe goed bedoeld ook - ze zijn ook nodig - maar daar komt niet altijd het beste uit. Doppeltje liet prompt met één steun en kreun vallen wat Skittel in gedachten had. Het hoopje gaf hem wel een nieuw belangrijk signaal. Als hij goed voor het hondje wilde zorgen, dan moest er wel eten en drinken worden gevonden. Maar hoe?.....Zo ver als Skittel kon kijken, was er niets meer dan grijs beton en duisternis. Geen lichtpuntje ergens verderop. De gang leek oneindig lang.

De donkerte slokte onze vrienden op en wel zo erg dat ze elkaar niet meer konden zien. zelfs niet van drie centimeter afstand. Skittel zette zijn zaklamp aan door het linker oog daarvoor te gebruiken. Het licht was net voldoende om een paar meter vooruit te kunnen kijken. In de buis leefde niets. Geen spoor van ratten of spinnen en dat vond Skittel niet erg. Niet dat hij bang was voor een rat, maar de piepjes, zo wist hij, klonken erg hard in zijn oren en spinnenweb-spul kleefde erg goed aan zijn skelet. Gelukkig konden ze ook rechtop lopen. Dat was voor Doppeltje natuurlijk helemaal geen probleem, maar Skittel vond het ook fijn dat hij normaal rechtop kon lopen. Om de spanning voor Doppeltje wat te verlichten begon Skittel een gesprek. Het werd tijd om iets van zijn huisdier te leren.

"Poep jij veel?", was de eerste vraag die hem door het brein werd voorgelegd. Doppeltje antwoordde meteen. "Natuurlijk", blafte hij..."Natuurlijk doe ik dat. Elke dag drie keer en plassen wel zo'n eh....volgens mij noemen de mensen het honderd keer of zo. En jij?"

"Eh....Ik tap elke dag mijn vuile olie af via de kraan aan mijn grote teen. Dat is alles. Ik moet wel elke week nieuwe olie krijgen hoor, anders werken mijn tentakels niet zo goed."

"Ik weer....Hoe is die griezel in het dorp jouw baas geworden?"

"Nou", antwoordde Doppeltje. "Dat ging vanzelf. De jonkvrouwe van hem wilde een lief, aardig, knap en goed-luisterend schoothondje. En dat ben ik!"

"Een schoothondje....Wat is dat?", vroeg Skittel verbaasd.

"Dat is een hondje voor bij de thee. Die zit op de buik van de jonkvrouwe en doet verder niets. Dat is het."

"Oke, ik snap het, maar waarom zat jij dan daar aan die ketting?"

"Eh.....De koekjes op tafel waren veel te lekker. Ik pakte er één en toen....tsja...toen moest ik eventjes weg, zo zei mijn baas. Hij bracht mij naar de ketting en vertelde dat hij zo terug zou komen. Maar dat gebeurde niet. En toen kwam jij".

"Maar er mochten toch helemaal geen honden in het dorp komen?", vervolgde Skittel en voelde al aan dat er nog meer aan de hand moest zijn.

"Dat klopt, maar de heren en jonkvrouwen wilde alles hebben wat de mensen in het dorp juist niet mochten hebben. Ik weet niet waarom, maar dat zeiden ze wel. Ze moesten er altijd om lachen."

Skittel berekende dit antwoord en kwam uit op een paar andere vragen. Zouden sommige mensen zo zijn? Dat ze altijd meer wilden hebben dan een ander? Maar...dat is toch pesten.....behalve, behalve...als de andere mensen het niet weten! Dat is het. Doppeltje was een geheim.

"Doppeltje....waren er nog meer hondjes bij de thee?", vroeg Skittel.

"Ja, maar die waren nog kleiner dan ik. Mopje, Sientje en Droppie. De juffrouwen van de thee brachten ze mee in hun tas, zodat niemand ze zag."

Skittel wist genoeg. De burgemeester en zijn jonkvrouwe en een paar anderen in het dorp hielden geheimen. "Waarom zouden ze dat doen?" Skittel had geen nieuwe vragen meer. Hij wist het antwoord gewoon niet.

Gezellig kwebbelend liepen ze door. Plotseling hoorden ze een lichte bonk. Samen hielden ze stil en tuurden naar voren voorbij het licht. Eerst zagen ze alleen duisternis, maar toch....daar ergens in de verte verscheen een wit puntje. "Skittel", blafte Doppeltje. "Daar...een uitgang".

"Ik zie het. Laten we doorlopen. We zijn al lang genoeg in deze tunnel.

wordt vervolgd op 7.

E-mailen
Map
Info