Ideemachine.nl
                                                                                                 

Verhaaltje 4.


Krak en zo.

De lente had vlak voor het huis van Skittel veel werk verricht. Overal groeiden lange grassen op zoek naar de zon en de speelse wind en ook plopten enkele witte bloemetjes daartussen voorzichtig omhoog. Skittel plukte er één en draaide het in alle kanten om te zien wat er zou gebeuren. Er gebeurde natuurlijk niets. Het bloemetje bewoog niet, kronkelde niet en zei ook geen woordje. Skittel keek Gerardo vragend aan, wat betekende dat er een klein geel vraagtekentje (?) in een vierkant schermpje op zijn blikken voorhoofd verscheen. Het vraagteken knipperde drie keer. Gerardo knipperde zoals altijd eerst drie keer terug en zei daarna eenvoudigweg; "Madeliefje. Bloem. Lief en mooi". "Madelief, bloem, lief en mooi", zei Skittel, borg het op in het geheugen en zette het bloempje voorzichtig terug. Zodra hij het losliet, boog het kleine bloempje direct naar beneden, zei "krak" en verdween ondersteboven diep in het hoge gras. Het vraagteken knipperde alweer. Gerardo zei er deze keer niets van. Skittel had binnen in het huis al zoveel vragen gehad. Honderden en het gaf hem intussen alle dagen hoofdpijn...Het zou hem nooit lukken om ze allemaal te beantwoorden, zo wist hij inmiddels ook. Daarom had Gerardo zich voorgenomen om dit probleem op te lossen. Het moest wel en nu was het moment gekomen. Hij keek even heel streng in de knipperende oogjes en stuurde Skittel met één armbeweging pardoes weg. De kleine robot wist niet goed wat hij hiermee bedoelde en maakte wat kleine stapjes terwijl hij achterom keek. Gerardo zag alweer het fel knipperende vraagteken en deze keer hield het niet op na de derde knippering. "Ga", zei Gerardo. "Ga, nou maar en leer zelf. Wel thuis komen voor het avondeten, hoor. Heb je dat begrepen, Skittel?". Skittel knikte. En daar ging Skittel. Alleen op weg zonder te weten wat er allemaal te beleven zou zijn. "Zelf leren", had Gerardo gezegd. "Maar hoe doe je dat?", vroeg Skittel aan het brein en schudde een beetje met zijn hoofd, toen het duidelijk werd dat het brein daarop geen antwoord gaf.

Nu wil het geval dat moeder Aarde ook soms verrassingen heeft, als dat echt nodig is. Je moet dit niet verwarren met het toeval of een wonder, nee, moeder Aarde heeft een eigen grote kracht. Als je denkt dat je die nooit ziet of voelt, dan moet je maar eens op een warme zomerdag bijvoorbeeld op het gras in een plas water gaan liggen of gewoon kijken naar een aardbijenplantje waar de bijtjes op komen smikkelen. Bijna alles is door moeder Aarde zo gemaakt dat alles....maar dan ook alles klopt. De bloemetjes hebben mooie kleuren om de bijtjes te lokken en de bijtjes hebben vleugeltjes om ze te kunnen bezoeken. Dat bedoel ik. En wat te denken van de vlinder...eerst is het een groen of bruine kruipende worm met heel veel korte pootjes en een paar dagen later heeft het zes lange pootjes en twee prachtig gekleurde vleugels. Wel nu....Skittel had al een bijzonder brein door het toeval en het wonder ontvangen en het werd nog bijzonderder dan bijzonder, toen Moeder Aarde haar speciale kracht op de kleine Robot over bracht. Skittel werd mega-bijzonder dus. Zonder dat Gerardo het wist en eigenlijk Skittel zelf ook niet. Maar daar kwam hij snel achter hoor.

Let maar op.

In de verte sprong een bruin iets omhoog. Keer op keer en het kwam snel dichterbij. Het bruine ding stopte vlak voor Skittel, waarschijnlijk omdat het dacht dat daar een vuilnisemmer vol met eten stond. Skittel stak zijn wijs-tentakeltje omhoog en zei "Hallo. Ik ben Skittel". Waarom hij dat zei weet niemand, maar aardig zijn voor alle wat bewoog...dat kon toch geen kwaad?, zo berekende Skittel voor zichzelf. Voor iedereen, wat hem betrof. Het konijn, want dat was het bruine iets, stak haar oren recht omhoog en zei "Hallo" terug in de bruine konijnentaal. Voor mensen zou het ongeveer "agrabahe" klinken, maar Skittel hoorde gewoon "Hallo". Jullie begrijpen nu de kracht van moeder Aarde...Skittel kon met dieren praten en dat was wel zo handig als je wat moet leren.

Het konijn keek Skittel met grote ogen aan. "Wat zielig", zo begon ze. "Ik ben Wit-stip", voegde ze snel toe. "Kijk maar naar mijn staart, die heeft een wit stipje. En wat moet jij voorstellen, als ik vragen mag?"

Skittel was verrast en probeerde het juiste antwoord in zijn brein te zoeken. Dat duurde even. Het konijn trappelde met haar voetjes op de grond en wachtte geduldig af.

"Nou, mijn naam is Skittel en ik ben een Robot."

"Een mens-ietus dus...", klonk het enigszins teleurstellend. "Hm, dacht ik wel. Maakt niet uit. Je bent lelijk en dus sowieso zielig. Jammer voor jou hoor."

"Nee, nee...geen mens-ietus, flapte Skittel er meteen uit. "Gerardo, mijn eh....eh, die daar woont, dat is een mens. Ik ben eh...anders. Kijk maar." Skittel draaide een rondje en liet zijn glimmende blikken skelet zien. Hij bewoog ook zijn tentakels op en neer en viel pardoes om toen hij probeerde om allebei zijn loop-tentakels op te tillen. Het konijn moest lachen. "Je blijft voor mij een gek mensen-ietus-ding en .....daarmee ook zielig."

Skittel knipperde meteen met het vraagteken, maar dat hielp niet. Het konijn keek ernaar alsof ze de maan op aarde zag vallen.

"Wat is zielig?", vroeg Skittel toen maar. Nu klonk zijn stem ook nog eens zielig, want als er gezegd wordt dat je zielig bent dan gedraag je je meestal ook zielig en uiteindelijk ben je inderdaad....zielig, zonder dat je dit zelf in de gaten hebt.

"Nou", begon Wit-stip. "Eh....zielig is, als je nergens bij hoort. Als je dus geen mens, of een ietus bent en ook geen dier...en dat lijkt mij zo met al dat blik om je heen".

"Bovendien vind ik je echt lelijk", antwoordde het konijn naar alle eerlijkheid.

"Uh, ik snap het niet goed en eh....Wat is lelijk nu weer?"

"Hetzelfde als zielig", antwoordde Wit-stip. Je hoort nergens bij, niet eens bij de bomen en zeker niet bij de bloemen".

"Maar...eh, jij hoort toch ook niet bij de bloemen of de bomen. Dan ben jij dus ook lelijk, vind ik". Skittel stampte ook eventjes met haar grote-teen-tentakel op de grond.

"Nee, nee....Ik ben mooi. Tenminste alle mannetjes-konijnen, zelfs Bruin-oog en Zwart-poot vinden mij leuk. Dus...Skittel, daar heb je het mis, hoor."

"Maar, ik vind mezelf leuk.", probeerde Skittel nog.

Wit-stip moest lachen en zwaaide met haar pootje. "Nee,.....niet genoeg. Anderen moeten je leuk vinden, anders gaat het niet. Jezelf leuk vinden, dat telt niet".

Skittel rekende en rekende in zijn hoofd, want dat doen Robots in zo'n geval. Het leek hem beter om verder niets te zeggen. Hij vond zichzelf leuk en daarmee punt uit. Toch knaagden en krabbelden de woorden van Wit-stip in zijn brein. Anderen.... had Wit-stip gezegd....maar welke anderen dan? Alle anderen van de hele wereld?" Skittel ging even zitten en rekende en rekende naar een oplossing. Uiteindelijk besloot hij om ook leuk te zijn voor alle anderen. Dat zou wel het beste zijn. Hij moest het zielig doen ophouden. En als dat lukte, dan zou het lelijk vast ook weg gaan.

Zo berekende Skittel en had zo al iets - helemaal zelf - geleerd.

Maar....wij mensen weten dat er heel erg veel "anderen" op de wereld zijn, toch? Zou het Skittel lukken? Zou alles, alle mensen, alle dieren, alle bloemen en alle bomen op de hele wereld hem leuk vinden? En lelijk zijn. Gaat dat echt weg als je leuk wordt gevonden?


Boos en zo.


Skittel nam afscheid met een korte buiging van het konijn, die hem niet leuk had gevonden. Het korte gesprek had daar niets aan veranderd en dat maakte hem een beetje...uh..."minder AAN of zo". Robots kunnen niet huilen en een tranenbuis wordt sowieso nooit bij de robot-oogjes geplaatst. Toch merkte Skittel iets vreemds binnen in zijn skelet. Zijn olie werd erg warm en zijn brein rekende en rekende maar door zodat hij met onvoldoende aandacht keek waar hij liep. Na enkele stappen struikelde Skittel al over een klein uitstekend boomworteltje. Eenmaal op de grond, op zijn knieën en de beide grijpers in de modder, werd de toestand van Skittel nog minder AAN. Hij schopte tegen het worteltje, maar er gebeurde niets, behalve dat het kleine worteltje een paar keer op en neer zwiepte. Daarna begon het vraagteken op zijn eigen voorhoofd flink te knipperen. Het niet goed opletten verergerde daardoor en het brein van Skittel hield niet meer op met rekenen. Wij mensen zouden het piekeren noemen en daarvan wordt je inderdaad niet vrolijk. Hoe dan ook...bij het opstaan, maakte Skittel direct weer een vergissing en stapte iets te ver in de berm. De grond was daar zacht en jullie raden het al...daar ging Skittel. Maar ditmaal stopte zijn val niet meteen, nee...hij rolde een kleine heuvel af en na ongeveer dertig meter, knalde Skittel met zijn hoofd tegen een grote boom. En daar lag hij. Met grassprieten in zijn hoor-openingen en bovenop zijn hoofd lag een flinke klodder modder. Skittel had tijdens het rollen zijn oogjes dicht gedaan en zag even alleen maar sterretjes. Plotseling hoorde hij een verschrikkelijke harde stem. Het klonk zo; "Rot op...Rot op...Ga weg" en als wij het zouden horen dan hoorden wij dit; "Woef, Woef, Waf".

Skittel had eerst geen idee waar het geluid vandaan kwam en daarom opende hij zijn oogjes. Hij schrok zich een blikje, want hij keek recht in de kwijlende bek van een hond. Die schreeuwde maar door en door en trok uit alle macht aan een zware ketting. Skittel had nog nooit een hond gezien, maar dat hield hem niet tegen om zijn wijs-tentakel-vinger tegen zijn mond te houden. Hij had wel eens gezien dat Gerardo dit ook deed tegen de kwekkende eenden in de wei en toen werd het zomaar stil. Zo nu ook. De hond hield zijn kop scheef en blafte niet meer. 

De hond was niets meer dan een hondje, ongeveer zo groot als een flinke kat. Klein dus, maar wel met een hele grote bek. Eigenlijk was de bek veel te groot voor het hondje en dat kon je goed zien aan zijn tanden. Die staken namelijk allemaal uit de bek, net zoals bij een krokodil. Door het kwijlen, er hingen werkelijk slierten slijm tot op de grond, vond Skittel het beest zowel vies als cool. Heel even berekende Skittel dat deze hond wel lelijk moest zijn, maar dat ging hij niet vertellen, want hoewel Skittel het blaffen niet fijn vond, was er nog geen andere reden om het hondje niet leuk te vinden. Skittel bekeek het hondje en zag dat het "cool zijn" vooral te maken had met de kleuren; zwart en wit. De hele linkerzijde was wit met vuile vlekken modder en de rechterzijde natuurlijk helemaal zwart. Er zouden aan die kant vast ook vuile vlekken en strepen zijn, zo meende Skittel, maar dat kon hij niet goed zien.

Skittel besloot deze keer om zelf te beginnen met een gesprek in de hoop dat hij dan niet meteen lelijk zou worden gevonden.

"Dag Hondje. Waarom ben je boos?", vroeg hij op zijn alleraardigst. Het hondje keerde zijn kop deze keer de andere kant op waardoor Skittel het idee kreeg dat het beestje hem niet verstond. Maar dat was een vergissing.

"Ikke boos....Nee, niet boos. Je moet alleen oprotten, meer niet", zei het hondje en blafte nog twee keer om het duidelijk te maken. Skittel week even naar achteren, maar zag dat de ketting niet lang genoeg was om bij hem te kunnen komen.

"Ga je mij bijten dan met die gevaarlijke tanden. En dat....terwijl ik jou niets doe."

"Maakt niet uit. Rot op", was het antwoord.

"Nou....eh.....nee. Ik ga niet weg. Ga zelf maar weg", zei Skittel en boog zijn grijp-tentakels om zijn skelet. Het hondje snapte er niets van en blafte weer keer op keer een aantal onaardige woorden, maar het hielp niets. Skittel verroerde zich niet. Na een tijdje stopte het blaffen. Skittel ging hierna op zijn knieën zitten en benaderde, met zijn reuk-dop in het midden van zijn hoofd, de neus van de hond. Het hondje vond het bijzonder en daarbij moet je weten dat de neus het meest belangrijkste aan een hond is. Zonder neus, geen hond en ook geen begroeting. Niet dat je nu zelf elke keer je eigen neus tegen de neus van een hond moet duwen, nee, niet doen hoor, want niet alle honden zijn lief. Maar toch....als een hond jou leuk vindt dan zal hij of zij je eerst besnuffelen. En dat gebeurde nu ook. Zowel Skittel als het hondje besnuffelden elkaar en daarna was het goed. Het hondje blafte niet meer en trok ook niet meer aan de ketting.

"Ik ben Skittel".

"Ik ben Doppeltje, aangenaam. Terriër, reu (een mannetje dus) en inderdaad boos. Je hebt gelijk, sorry", volgde nog en Skittel zag dat Doppeltje zijn oogjes droevig hield. Kopje omlaag, oogjes omhoog.

"Ik snap het. Je zit vast. Maar altijd boos zijn helpt je toch niet. Wie altijd boos is, kan nooit blij zijn, weet je".

"Maar, Skittel. Wees eerlijk. Als jij altijd vast zat aan een ketting, dan kan je niet blij zijn. Het is gewoon niet leuk".

En daar was het weer, berekende Skittel. Ook Doppeltje was zielig.

"Jammer, Doppeltje, maar als anderen je leuk vinden, dan gaat het weg. En dan ben je ook niet lelijk meer", probeerde Skittel. Maar dat hielp natuurlijk niet.

"Ja, ja....ik ben lelijk. Dat snap ik wel, maar het is al erg genoeg", jammerde Doppeltje en draaide zich om.

"Wacht....Ik kan je helpen, hoor".

"Ja, ja....dat zeggen ze allemaal, maar zodra ze mijn tanden zien, gaan ze weer weg. Mijn baas heeft al zoveel mensen meegenomen, maar niemand wil mij. En ik mag ook niet meer in het dorp komen. Daarom zit ik hier." Skittel hoorde het aan en merkte dat Doppeltje steeds droeviger begon te kijken. Ook zijn staartje hing helemaal naar beneden.

"Ach...wie is jou baas dan, want die moet horen dat dit echt zielig is, vind je ook niet? Kom op, ik maak je los en ik ga het hem vertellen".

"Je bent gek, Skittel. Mijn baas is de burgemeester van het dorp. Die luistert echt niet naar jou, hoor".

"Echt wel. Let maar op."

En zo geschiedde. Skittel kneep in één keer met zijn grijp-tentakel-duim- en vinger, de ketting bij het nekje los. Doppeltje sprong van blijdschap drie keer in de lucht, rolde over de grond, schudde zich uit en likte Skittel uitgebreid aan zijn skelet. Skittel kon het niet voelen, maar hij vond het allemaal wel aardig.

"Nou", dacht Skittel. "Ik heb al één vriend die mij leuk vind".

"Kom, Doppeltje, ik heb nog tijd genoeg. We gaan naar het dorp".

Wordt vervolgd op 5.  

E-mailen
Map
Info