Ideemachine.nl
                                                                                                 

Verhaaltje 14



De rode hoed en zo.


"Zoek een rode hoed.....Is dat het?", blafte Doppeltje. "Ja, dat is het, meer niet.", antwoordde Skittel. De beste man had inmiddels het groepje pardoes achtergelaten en daar stonden ze. Met een vreemde opdracht, in een vreemde stad en met vreemde figuren die kennelijk een eigen opdracht hadden. Eentje waarvan Skittel in Bliksems-naam niet wist wat zij eigenlijk in dit verhaal zouden betekenen. 

"Maar Skittel....snap ik het nou goed dat alle mensen jou een opdracht kunnen geven?", kraaide Nero. Skittel kon alleen knikken. Het klopte. Elke robot moet een mens gehoorzamen. "Maar...dat betekent dat je eindeloos opdrachten moet uitvoeren". "Wat een idioot gedoe", kraaide Nero erachteraan. 

"Wat ik nu bereken Nero, is dat Gerardo mij als eerste een opdracht heeft gegeven. Om te leren. Maar.....deze opdracht....deze opdracht. Ja, ik weet het. Met deze opdracht zal ik ook leren. Ja, ik hou mij daaraan vast. Zolang ik leer, doe ik het goed". 

Doppeltje plaste en schudde zijn kop. "Skittel....Maar je hebt ook nog een tweede opdracht. Je zou een sleutel ophalen om de Robots in het dorp te bevrijden van de burgemeester. Nou, hoe zit dat dan?", blafte hij. 

"Dat klopt Doppeltje. Maar als ik hier leer en we zijn er nu toch, dan leer ik misschien ook hoe wij in de stad Rotopia terecht komen. Laten we dus gewoon de rode hoed zoeken en intussen proberen we te onderzoeken hoe we hier weer weg kunnen. Weet je, beste vrienden...Leonardo kon ons alleen hier naar toe brengen en niet verder. En....tot slot. Kijk eens hoe druk het hier is. Die rode hoed hebben we zo gevonden, let maar op."

En zo begonnen Skittel, zijn vrienden en het vreemde gevolg aan een zoektocht. Het gaf Skittel inderdaad de gelegenheid om veel te leren. Vooral over de stad, de robots en de mensen. Allereerst bekeek Skittel waar hij precies was beland. Ze stonden op een groot platform met veel loop-verkeer. Mensen en robots die naar de lift gingen of juist eruit kwamen, zo zag Skittel. Hij draaide zich om en zag dat de lift opsteeg tot boven de wolken. En dit betrof niet de enige lift, nee, Skittel telde er al snel twintig en die bevonden zich allemaal in hetzelfde gebouw, een torenflat met veel ramen en spiegels. Verderop stonden nog meer gebouwen, maar de hele stad was niet vanaf deze plaats te overzien. Daarvoor zouden ze naar boven moeten gaan. Skittel besloot de rode hoed eerst maar eens te vinden en misschien later naar boven te gaan.

"Nero, Doppeltje...Laten we goed om ons heen kijken naar een rode hoed. Jullie doen mee, toch?", vroeg Skittel terwijl hij de omgeving scande op de kleur rood. De kraai en de hond knikten en speurden evenzo in de ronte, maar vonden niets. Skittel scande ook niets en dat was toch wel vreemd. Er was geen kleur rood te vinden. Nergens....niet bij de mensen, niet bij robots, niet op voertuigen, nergens. "Wat is dit nu weer?", berekende Skittel. "Geen rood te bekennen", zei hij tegen zichzelf. Hij draaide zich weer om maar nu naar het vreemde drietal achter hem. De vrouw begreep de twijfel bij Skittel maar trok haar schouders op en de robots reageerden helemaal niet. 

"Oké, geen hulp van jullie. Dan gaan we het maar vragen", zei Skittel zelfverzekerd en stapte op de eerste de beste mens af. 

De mens in kwestie betrof een man met een bord voor zich. "Geef aan de Heer", stond erop. Het was slordig geschreven en het bord was niets meer dan een vuil stuk karton. Skittel bukte om de man aan te spreken en dat zorgde ervoor dat de man schrok. 

"Wat is er, beste Robot. Zit ik in de weg of zo?", voeg hij met een zachte stem. De ogen van de man lagen diep en een donkere kleur rondom de ogen gaven duidelijk aan dat de man het moeilijk had. 

"Eh.....ik zoek de rode hoed, maar eh....ik bereken ook verdriet. Kan ik u helpen, Heer?", vroeg Skittel en hij knipperde met zijn ogen.

De man keek op en een kleine glimlach verscheen op zijn gezicht. "Je bent grappig Robot. Maar, nee, dank je. Ik hoef geen hulp van een robot. Ik verwacht hulp van de mens. En, beste robot. Ik ben geen Heer". 

"Maar dat staat op uw bord". Skittel wees naar de letters. De glimlach van de man werd nog wat groter. "Ja, dat staat er. Maar ik bedoel wat anders. Luister, Robot. De Heer is de Heer en wie mij wat geeft, eten of zo, die doet iets goed in de wereld en dat....dat vindt de Heer prachtig en zal die mens belonen, snap je?"

Skittel moest even rekenen. "O, u bent gelovig", riep hij uit. "Eh....ik kan u niets geven. Wat jammer, want ik zou ook wel willen dat uw Heer mij beloond". 

Dit keer moest de man echt lachen. "Nee, dat kan niet, hoor. De Heer is er alleen voor mensen". 

Skittel week een beetje achteruit en rekende verder. "Maar waarom alleen mensen. Het zou toch fijn zijn als je ook eten kreeg van de robots. Kijk eens hoeveel er hier zijn. Je doet jezelf tekort. Ik bereken met zekerheid dat robots ook goed willen doen". 

De glimlach op het gezicht verdween en maakte plaats voor een grote frons op het voorhoofd van de man. Ook hij moest even nadenken. 

"Luister Robot. Jij hebt geen ziel. En alles zonder ziel....nou eh....die hoort niet bij de Heer."

Skittel rekende verder. "Maar....hebben dieren dan een ziel en waarom ik niet? Dat lijkt mij oneerlijk", zei Skittel stelling. 

"Dieren....aha, ja, die horen wel bij de Heer. Hij heeft ze zelf gemaakt. Maar robots, nee. Die zijn gemaakt door de mensen en dus tellen ze niet mee."

"Maar....ik ben gedeeltelijk gemaakt door de mens en gedeeltelijk door....eh, ik weet het niet. Ik was er ineens. Gerardo zei dat een kat er iets mee te maken zou hebben."

"Jij ben een vreemde robot, maar toch nee, je hebt geen ziel". 

"Waar is uw ziel dan. Laat eens zien", probeerde Skittel. 

"Die zit binnen in mij". De man wees naar de plaats waar zijn hart zat. 

"Hm....ik heb inderdaad geen hart maar wel een pomp voor mijn olie". Skittel stak plotseling zijn grijp-vinger op. "Eh...Een hart is ook een pomp....voor het bloed, volgens Wikipedia, dus.....ik bereken dat u een fout maakt."

"Luister robot....jij bent niets. Een machine, meer niet. Wel een aardige en vreemde machine, maar je blijft een machine. Die hebben geen ziel en horen niet bij de Heer. Ben ik zo duidelijk genoeg", zei de man geïrriteerd. Hij keek Skittel ietwat boos aan. 

Skittel berekende de boosheid en week verder achteruit. "Nou....dan houdt het op en ga ik u ook maar niet helpen ondanks uw verdriet."

Er viel een stilte. De man zuchtte. "Wat wil je van mij, robot?"

"Ik zoek de rode hoed", zei Skittel. 

De man zuchtte weer en trok zijn muts over zijn hoofd. "Laat me met rust, stuk blik". 

Skittel stond op en rekende en rekende, maar kon geen oplossing vinden. Hij besloot de man maar alleen te laten en stapte verder. 

"Dat ging goed", kraaide Nero. 

"Hou je bek vogel", sneerde Skittel. Er was iets loos binnenin zijn skelet. De olie werd nog warmer en soms voelde hij een rilling. Mompelend liep hij verder. "Ik...niets....geen ziel....en Nero wel. Hoe is dat nu mogelijk?."

Onze vriend moest even bijkomen van dit gesprek en nam plaats bij een hek wat geheel in de schaduw lag. Zo kon hij even afkoelen. Intussen deed Doppeltje een plas en dat zorgde voor enkele kreten van schrik en ontzetting. Toen Skittel naar beneden keek zag hij direct het probleem. "Doppeltje....niet hier. Je plas druppelt naar beneden en daar zijn ze beneden niet blij mee", zei hij. Doppeltje schrok van de scherpe toon die Skittel gebruikte. "Sorry", blafte hij. Skittel zuchtte nu ook een keer diep en berekende de vraag wat hij in bliksumsnaam hier deed. Rondom kijkend zag hij nog steeds niets wat op een rode hoed kon lijken. Voor hem vlogen met verschillende snelheid diverse voertuigen door de lucht. Sommige zagen er ouderwets uit en hadden het aanzien van auto's die eeuwen geleden in de mode waren. Hij zag een ronde Volkswagen, een lange Toyota en zelfs een Russische Lada, allen uitgevoerd met glimmende bumpers en lederen bekleding. Leonardo was dus niet de enige met zo'n auto en hier waren ze nog fraaier. Ook de inzittenden kon hij aanmerken als anders dan Leonardo. Maar dit was dan ook de stad, berekende Skittel. Er zou vast wel verschil zijn tussen mensen in het dorp en de mensen hier in de stad. De kleding van de mensen was niet het eerste op dat gebied anders betrof. De haardracht was op zijn zachts gezegd, erg opmerkelijk. De meeste mannen droegen een zwart-wit geblokte doek op hun hoofd en dat zorgde ervoor dat hun gelaat voor een groot gedeelte uit het zicht verdween. De vrouwen daarentegen wilden nadrukkelijk wel hun aanwezigheid laten zien. Hun haren hadden de meest verfijnde kleuren - met uitzondering van de kleur rood - en de vorm liep uit van kort en kubusvormig tot lang en extreem gekruld. Sommige vrouwen kirden als een klein kind van plezier als het voertuig een scherpe bocht nam en anderen keken op zo'n moment roerloos voor zich uit om wellicht te laten zien dat niets hen van slag kon brengen. Skittel berekende via zijn woordenboek ijdelheid bij de vrouwen en stoer-doenerij bij de mannen. Toch zag hij ook nog andere mensen die hij niet direct kon indelen als man of vrouw. Zij waren kaal en de ogen waren groot en gaven de indruk dat er gekleurde spinnen bij de ogen rondhingen. Toen Skittel inzoomde zag hij dat de wimpers enorm groot waren gemaakt met een kleuring in de meest bizarre kleuren. Skittel berekende, via zijn woordenboek, een vorm van boosheid. Zoals gezegd, de kleding had ook zijn bijzonderheden. Zilveren nauwsluitende pakken, zwierige mantels en lange jurken, plastic broeken en witte overhemden zag men hier het meeste. Alles bij elkaar had de mens hier een wonderlijke invloed op de stad. De energie spatte werkelijk er vanaf en dat maakte het dat overal, maar dan overal waar je ook keek, er wel iets bijzonders gebeurde. 

Zo ging het in het luchtverkeer al snel mis en Skittel merkte meteen waarom de stad bots-stad werd genoemd. Keer op keer vonden er botsingen of bijna botsingen plaats. De bijna botsingen gingen gepaard met veel gescheld en gevloek en de echte botsingen soms met een overdreven huilpartij. Toch kon Skittel geen enkele keer zware schade ontdekken. De auto's hadden niet alleen bumpers maar ook een doorzichtig bubbel rondom de auto, die een gedeelte van de klap kon opvangen. Zodoende hoefde er nimmer een ambulance te komen, maar natuurlijk wel de opruim-robots. Als die kwamen, dan werken ze razendsnel en zorgvuldig. Er bleef niets in de ruimte achter, zo zag Skittel. De robots hadden het bovendien vrij gemakkelijk. Alle losse stukjes en rommel zat in de bubbel van de auto en met een grote stofzuiger werd alles keurig en netjes opgezogen. Het grootste probleem was het verlies van tijd, zo berekende Skittel, want alle mensen leken na een ongeval vooral veel haast te hebben. 

Nadat Skittel zo een tijdje in de lucht had rondgekeken, viel zijn oog op een tweede mogelijkheid. Op een ander platform stond een man met alweer een bord. Hoewel Skittel geen goede ervaring had besloot hij toch om te gaan kijken. Op het bord, dit keer een net bord, gemaakt van mooi hout en fraaie letters stond; "Allah, weet de weg". Jullie lezers begrijpen, het was een geweldige kans om deze man de vraag voor te leggen en zonder iets na te rekenen spoedde Skittel zich naar de man. 

"Dag, meneer. Mag ik u de weg vragen?, vroeg Skittel opgewekt en knipperde wederom met zijn ogen om de man aan te moedigen te antwoorden. De man, gekleed in een lang wit gewaad, bekeek Skittel van top tot teen en begon toen te lachen. 

"Maar, beste robot...Jullie robots weten altijd de weg. Misschien moet je even beter rekenen of anders je systeem laten nakijken", zei de man, terwijl hij even aan zijn lange baard plukte. 

"Nee, mijn systeem is goed en ik weet de weg echt niet. Allah, weet de weg, staat er dus....."

"Ach wees stil Robot. Je bent toch niet van blikkie getikt. Allah is er voor mensen. Niet voor Robots. Is dit een grap of zo"? De man keek over de schouder van Skittel naar het drietal achter hem en dat leidde meteen tot een grote glimlach. "Aha....nu begrijp ik het. Nou, Robot.....je bent een machine, dus kan je Allah niet bevragen". De man speelde mee en wachtte geduldig op Skittel's berekening. 

"Maar, het zou toch beter zijn als ook de robots ook de weg kunnen vragen voor het geval dat ze het niet weten?"

"Jazeker, maar het antwoord van Allah is slechts voor mensen die in Allah geloven". Skittel schrok. "O jee, blikje en smeer. Had ik maar Wikipedia gevraagd.....Stom van me", berekende Skittel. Hij probeerde zijn fout te herstellen. 

"Nu snap ik uw bord. Allah is een Heer". 

De man fronste zijn voorhoofd. "Nee, niet een Heer....Allah". 

"Maar dat is toch hetzelfde?"

"Nee", was het korte antwoord. De man keek dit maal zeer ernstig en strak naar Skittel en daarna naar de vrouw achter Skittel. Het was voor het eerst dat ze iets zei. 

"Kom, Skittel, je moet verder zoeken". 

En dat deed hij dan maar. Zonder afscheid te nemen wandelde Skittel verder. Het rommelde in zijn hoofd en in zijn skelet. Natuurlijk berekende Skittel dat hij geen mens was, maar toch....hij had ook een pomp, ook een rekensysteem in zijn hoofd, ook een skelet met tentakels en vond dus dat hij ook een plaats had op deze wereld. Sterker nog....hij kon zelfs met de dieren praten, iets wat de mens helemaal niet kon. Wat kon hij eigenlijk niet, wat een mens wel kon?, zo huppelde zijn berekeningen heen en weer zonder dat er een goed antwoord werd gevonden. Maar één ding berekende Skittel wel met zekerheid. Hij zou uitzoeken of Robots recht hadden op een geloof net zoals de mensen.

Terwijl Skittel hiermee bezig was, hadden Nero en Doppeltje uiteraard de gesprekken van Skittel met de mensen opgevangen. Het was Nero die als eerste wat in het oor van Doppeltje flaaide (Flaaien is heel zacht kraaien).

"Waar gaan honden naar toe als ze dood gaan?" Doppeltje opende wijd zijn ogen en zijn oren stonden plotseling kaarsrecht omhoog. Hier moest hij even goed over nadenken. 

"Eh....ja, naar het botten-hof. Het is onder de grond, denk ik. Bij de lekkerste botten van allemaal", blafte hij zachtjes. 

"Maar daar wordt je zelf ook een stel botten", flaaide Nero en krabbelde met een vleugel op zijn helm. 

Doppeltje raakte meteen in de war van de opmerking. Hij schudde met zijn koppie en stuurde zijn staart omlaag. Om er verder niet aan te denken vroeg hij snel een vraag aan Nero.

"En kraaien.....waar gaan die dan naar toe?", blafte hij.

Nero had de vraag verwacht en reageerde opgewekt. "Nou, wij kraaien gaan naar de zwarte heuvels. Daar liggen de hele nacht lekker hapjes voor ons klaar en verder mogen we daar de Raven pesten totdat ze scheel kijken van ellende. Geweldig, lijkt is dat", kraaide hij. 

Doppeltje vroeg niets meer. Hij voelde zich niet zo goed. De zwarte heuvels leken hem fijner dan een plaats onder de grond waar hij ook een bot zou worden. Met laaghangende kop schuifelde hij achter Skittel aan. Die was op weg naar iets anders. Iets anders wat hem kon helpen. Maar wat? 

Skittel zocht deze keer een robot. "Robots wisten altijd de weg, had de man toch gezegd", zo berekende Skittel. En dat werd niet zo moeilijk. Overal liepen robots. Grote, kleine, in groepjes of alleen. De grootste robots leken het druk te hebben, want ze keken schichtig met hun scanners om zich heen op zoek naar iets wat Skittel niet wist. De kleinere daarentegen stonden meestal roerloos stil. Skittel besloot dat hij hier de beste kans had. Iets verderop stond een klein exemplaar met een vrouwelijk uiterlijk. Ze keek vriendelijk uit haar ogen en draaide met haar hoofd van links naar rechts. Het skelet van de robot vond Skittel prachtig. Het schitterde in de zon en alles leek gepoetst om er mooi uit te zien. Het maakte een beetje olie-stroom in hem los en berekende dat zijn skelet van mindere kwaliteit moest zijn. Met een beetje spanning op zijn snaren sprak hij aan.

"Dag robot, mijn naam is Skittel. Ik zoek iets, maar kan niet vinden. Kunt u mij wellicht helpen?" De robot draaide haar hoofd recht en keek Skittel recht in zijn ogen aan. Hij knipperde drie keer en zij ook. "Dit gaat beter", berekende Skittel.

"Hallo Skittel, mijn naam is Zinzi-sector A. Dank voor uw vraag. Uiteraard kan ik u helpen. Wat zoekt u?"  De toonhoogte van haar stem was zacht en aangenaam om naar te luisteren. 

"Eh, ik zoek de rode hoed, Zinzi", zei Skittel en hij bracht de toonhoogte van zijn stem tot hetzelfde niveau. Zinzi glimlachte. 

"Er is geen rode hoed in deze sector. Rood is verboden hier."

"O", stammelde Skittel en het grote vraagteken verscheen automatisch. 

"Luister Skittel. Ik weet niet waarom je een rode hoed zoekt, maar hier - in deze sector - mag er geen kleur rood zijn. Dat leidt het verkeer af. In het begin van de stad hadden we eerst rode stoplichten, maar toen volgde er botsing op botsing, omdat elk rood ding werd gezien als een stoplicht. Het werkte niet en dus werd de kleur rood verboden, snap je". Ze knipperde met haar ogen en het leek alsof ze daarmee wilde zeggen dat onbegrip van zijn kant niet mogelijk was. Skittel berekende en rekende en uiteindelijk snapte zijn systeem het. Stoplicht; een verkeerslicht wat gebruikt wordt om het verkeer te regelen, stond in zijn woordenboek. 

"Oké, ik begrijp het. Maar waar kan ik kan de kleur rood vinden", vroeg hij dan maar in een poging verdere domheid te voorkomen. 

"Sector T, Skittel. Dat is helemaal boven. Daar is wel de kleur rood toegestaan. Er is namelijk geen verkeer daar. Hebt u nog meer vragen?"

"Eh...ja, nog eentje. Hoe kom ik daar?" Zinzi glimlachte. "Het beste is een trap-Riksja. Kost niets, maar duurt wel lang. Kijk daar moet je aansluiten. Goedemiddag Skittel. 

Skittel keek naar de plek die Zinzi had aangewezen en zag een flinke rij mensen. Keer op keer stapte er iemand in een stoel van een of ander vreemd voertuig. Een robot bestuurde het ding en het ging langzaam vooruit. Plotseling steeg het voertuig op. 

"Verblikkemie, het kan vliegen".  


wordt vervolgd op 15. 

E-mailen
Map
Info