Ideemachine.nl
                                                                                                 

Verhaal 1



Het eerste licht en zo.

Ergens in de toekomst......

Een klein vuurtje in een houtkachel zorgde voor knisperende vonkjes en dansende sterretjes. Het woelende samenspel van rood en gele kleuren vond plaats onder een zwarte kookplaat met daarop een klein pannetje soep. Een wat oudere man, de mensen in het blikken-dorp, Stofferenblik noemde hem "gekke Gerardo", schommelde in zijn stoel heen en weer en wachtte op het pruttelen van de soep. Hij staarde al een tijdje geboeid naar het af en toe wild bewegende vuur en krabbelde daarbij een beetje aan de rafels van de leuning. Onder de stoel lagen de rafels en een vreemd goedje daar bovenop. Gerardo merkte niet dat hij inmiddels de vulling van de stoel had bereikt. Hij zou dat trouwens toch niet erg hebben gevonden, want dat de zitting van de stoel lekker aanvoelde, vond hij veel belangrijker. De rood-oranje gloed van de kachel verwarmde intussen zijn blote voeten en ook zijn hart. Niet dat zijn hart het echt koud had, maar kijken naar de wilde vlammetjes, de knetterende vonken en de opspringende sterretjes, gaven hem van binnen een fijn gevoel. Het was voor hem vergelijkbaar met het kijken naar de sprongetjes van een pasgeboren lammetjes in de wei. Gerardo kon in deze kamer met de warme kachel altijd goed nadenken. Na een tijdje denken - er waren al weer heel wat rafels bij gekrabd - stond hij op, trok zijn sloffen aan en slenterde door het stof naar het enige raam in de kamer. Hij zag bij het opstaan aan de toppen van de zendmasten in de verte, ze wiebelden flink, dat het buiten mogelijk erg koud zou kunnen zijn en kroop daarom onderweg al wat meer in zijn dikke trui. En hij kreeg gelijk. Zo snel als vonkjes omhoog kunnen vliegen om in de lucht te verdwijnen, zo langzaam dwarrelden sneeuwvlokjes naar beneden. Ze tolden en rolden, zo zag Gerardo, zo lang mogelijk in de donkere lucht alsof de felle wind ze nooit wilden laten landen. Eenmaal op de grond, smolten ze niet. De vlokjes hielden hun bestaan en vormden zodoende binnen een half uur een lange zee van sneeuw. De hele wereld werd wit om het zo maar te zeggen. Zelfs tot aan de uiterste rand van het blikken-dorp, strooiden donkere wolken hun witte boodschap. Gerardo zou het liefst zijn wandel-rol-stoep betreden om te genieten van het gladde en fijn aanvoelende goedje. Hij herinnerde maar al te goed de fijne speelmomenten uit zijn jeugd. Sneeuwballen gooien tegen een woon-blik, een lelijke sneeuwpop maken of glijden met een slede vanaf de dijk en zo. Maar hoewel het erg lang geleden was dat hij in de sneeuw had gewandeld, vond hij de harde wind voorlopig een spelbreker.

Buiten zijn huis zag hij niemand, maar dat was niet zo vreemd, want Gerardo woonde een flink stuk buiten Stofferenblik. In het blikken-dorp wilde Gerardo niet wonen en daar had hij goede redenen voor. Ten eerste mocht daar geen hout worden gestookt en ook - ten tweede -, moest van de burgemeester, de edelachtbare heer Staikop, alles netjes en vooral schoon blijven. En zo was Gerardo niet. Nee, helemaal niet. Hij hield van rommel en verzamelde daarom allerlei spulletjes die andere mensen weggooiden. Meestal kwam hij laat in de avond in het blikken-dorp en vond wat hij nodig had. Nou ja...nodig. Nee, niet altijd. Gerardo pakte gewoon alles mee wat hij misschien kon gebruiken. Zo had hij laatst een oude computer, eentje nog in de vorm van een kubus, een eeuwenoud rommel-ding dus, op de rol-stoep naast het rode blikken huis van Maartje Driehoek gevonden. Dezelfde dag ook nog bij de gele blik-winkel van Simon Blokker een telefoon met druktoetsen. Super-eeuwen oud spul dus en dat vond Gerardo nu juist het meest interessante. In het afgelopen jaar had hij ook een aantal verroeste trap-fietsen, scheve schaatsen, vliegers waar nooit mee was gespeeld en veel versleten speelgoed in de vorm van kleine kastjes met gekraste beeldschermen, zijn huis binnen gevoerd. Dat alles... in het donker meegenomen op zijn gammele karretje met de immer piepende wielen. En met het volgeladen karretje liep hij dan over het gras terug naar huis. Op de verlichte wandel en rol-stoepen mocht hij niet komen, omdat hij volgens alle inwoners van het blikken-dorp veel te langzaam vooruit ging. Althans....dat werd hem verteld door de Burgemeester. Maar dat vond Gerardo ook niet erg, hoor. Hij had tijd genoeg. Andere mensen, zo dacht hij.....die hadden haast....altijd. Zelfs als ze gewoon op een fraaie Zondagmiddag gingen wandelden op hun zelfrijdende rol-schoenen, bleef de snelle vaart erin. Ze keken allemaal - ook de kinderen - schichtig om zich heen alsof er iets erg hun achtervolgden. Gerardo bleef daarom nooit lang in het blikken-dorp. Er was daar iets niet pluis, zo vond hij.

Alle huizen in het blikken-dorp, Stofferenblik dus, waren gemaakt van glimmend blik en roestig metaal. Hout werd alleen binnen in het huis gebruikt en plastic was, sinds de grote opruiming honderd jaar geleden, ten strengste verboden. Elk blikken huisje had een verschillende kleur en vorm en daardoor leek het - van enige afstand - op een kleuter-vingerverf-schilderij. Enkele huizen waren gebouwd in de vorm van een ronde koekjestrommel, anderen weer als een langwerpig peperkoekblik, maar de meesten waren cilindervormig net zoals bij een langwerpig koffieblik. Als de zon scheen in de winter, want dan hing de zon laag aan de hemel, dan deden de schitteringen van het blik pijn aan de ogen en zeker bij de wat oudere Gerardo als hij naar buiten keek. Maar nu schitterde er niets. De lucht was donker en grauw. Hoe dan ook....de mensen in de blikken huizen van het dorp merken er weinig van. Alle huizen hadden geen ramen. Uiteraard het ene huis van de burgemeester wel, omdat die vanuit de hoogste verdieping in zijn blikken toren alles, maar dan ook alles in de gaten wilde houden. Wel had elk huis een grote hoeveelheid masten en sprieten en een ontvang-verzend-lift op het dak. Voor het zenden en ontvangen van pakketjes en duizenden nutteloze berichten vooral over mooi gemaakte mensen die altijd ver weg woonden en veel rare dingen deden. En...niet te vergeten, de stekels bovenop elke mast of spriet. IJzeren punten voor het afweren van de bliksem, de poepende duiven, de luie katten en de straling. Zoals je weet, des te meer zenden en ontvangen, des te meer straling in de lucht. Daarom droegen de mensen van het blikken-dorp ook allemaal een helm met kleine prik-dingen om de straling af te weren en natuurlijk een grote bril met gele glazen voor tegen de schitteringen, waar ze dus zelf ook last van hadden. Het allervreemdste aan de inwoners van Stofferenblik betrof een gekleurd kapje voor de mond tegen de vieze lucht. Het kapje was na de grote vuil-storm in de vorige herfst "in de mode" geraakt en vanaf die tijd droeg iedereen zo een onding. Gerardo vond het maar niks dat ze juist hem gek vonden, terwijl dezelfde mensen - die hem uitscholden voor gekkie of loenie - een knalroze gestippeld mondkapje droegen.

Gerardo was niet alleen een beetje vreemd, maar ook erg alleen en leuk vond hij dat zeker niet. Een tijdje geleden had hij nog een hondje gehad. Snoesje had hij haar genoemd. Maar die ging dood. Zomaar....en dat gaf hem veel verdriet. Er kwam daarna geen nieuwe hond meer. De inwoners van het blikken-dorp wilden dat, volgens de Burgemeester, niet en hadden hem dat via de wekelijkse vuilnisophaaldienst met een klein briefje laten weten. "Geen hond meer, te vies, dank u", stond erop. Gerardo vond het jammer en ook onnodig. Hij ruimde altijd het hoopje op, zo zei hij later nog tegen de burgemeester. Het hielp niet. Een blikken hond...zo eentje die alleen thuis op de mat lag niets te doen, die mocht wel, maar wat had hij nou aan zo'n stomme blikken hond, die niet eens lief aan zijn hand kon likken? 

Later we even terugkeren naar de warme kamer van Gerardo. Die plukte met zijn hand enkele keren aan zijn baard, dacht lang na en mompelde uiteindelijk de woorden, die zijn leven binnenkort zouden veranderen.

"Had ik maar een vriend", zei hij tot zichzelf.

Gerardo draaide zich om en liep met gebogen hoofd naar de deur van zijn werkkamer. Hij drukte op een knop en de deur, een gladde schijf gemaakt van papier en karton, rolde weg. Eenmaal in de deuropening zag hij zijn hoog opgestapelde rommel.....veel rommel. En dat.....dat was precies wat hij nodig had. Een grote glimlach verscheen op zijn gezicht. Hij had een idee. Een goed idee en hiermee keren we heel even terug naar het blikken dorp, Stofferenblik.

In diens straten liepen, rolden en waggelden ook Robots. Je weet wel van die dingen die op mensen lijken maar ook weer niet, omdat wij nu eenmaal niet van blik zijn gemaakt. Sommigen Robots hielpen met het bijhouden van de kweek-tuinen door de hele dag onkruid weg te halen en weer anderen zorgden voor het schoonhouden van de blikken-huizen. De meeste Robots zagen er half-mens-half-machine-achtig uit en dus redelijk prettig om naar te kijken, maar ze waren het absoluut niet. Ten eerste hadden ze te scherpe lampjes waardoor ze altijd streng keken en ten tweede was een spreek-opening waar een naar krasserig geluid uit kwam. Meestal begon een gesprek netjes met meneer of mevrouw en daarna de mededeling of het antwoord op de gestelde vraag, maar zoals gezegd, de gebruikte woorden konden meestal worden geplaatst in de categorie; brutaal, kortaf en dus zeer onaangenaam. Gerardo vond de robots daarom dingen die hij liever ook niet tegenkwam. Hoewel....nooit had hij er eentje gesproken die hem uitschold voor "gekkie" of "gekke Gerardo" en hij wist zeker dat het akelige gedrag ook anders kon. "Het is maar net hoe je ze opvoedt", vond hij. Met dat laatste in gedachten ging Gerardo aan de slag. Hij vond in de uiterste hoek van wat ooit zijn woonkamer was geweest wat oude draden, een oude wasmachine-motor, schroeven en duizenden moeren. Ergens onder wat tapijten vond hij nog twee buigzame veren van een fiets en vlak ernaast lagen twee pompen van een tractor. Iets verderop vond hij tot zijn grote geluk een verrekijker, een verroeste lamp en tot slot de allermooiste vondst, een gele duikbril. Gerardo verzamelde de gevonden spulletjes en ging met volle moed aan de slag. Hij brak, lijmde, boog en schroefde van alles en nog wat aan elkaar en toen, ergens midden in de nacht, was het klaar.

Precies om half vier uur in de vroege morgen drukte hij op een rode knop en....

Er gebeurde niets. 

De eigen gemaakte Robot stond klaar om te wandelen, maar er bewoog niets. Ook geen licht uit de glazen van de verrekijker, helemaal niets. Gerardo boog zijn hoofd en liep terug naar zijn schommelstoel. Even later viel hij in slaap. Een druppeltje traan verliet zijn rechteroog en dwarrelde langzaam naar beneden. Bij zijn mondhoek droogde het op. Gerardo zou alleen blijven. Het was niet anders.


Het tweede licht.

Intussen....ergens in een blikken huis van Stofferenblik, gebeurde er wel iets.

"Daar....kijk daar. Er brandt een lampje", zei professor Klingel tegen zijn collega Klopper.

Even later ging er een tweede lampje aan en plotseling kraakte er ook iets. De professoren bogen naar voren om te luisteren waar het geluid vandaan kwam, maar konden het niet vinden. Ze bogen weer terug en slaakten een diepe zucht.

"Zou hij nu al stuk zijn", vroeg professor Klingel met een bibber in zijn stem. De andere professor schudde zijn hoofd en wees vlug naar het ding wat op het punt stond om echt te worden geboren, want toen gebeurde het.

Het linker oogje ging langzaam open. Het oogje had de kleur rood en knipperde heel snel. Daarna ging oogje nummer twee open. Die knipperde ook snel, maar was blauw van kleur. Het zag er vreemd uit. "Daar moeten we wat aan veranderen", zeiden de professoren in koor. Ze knikten tegelijk en wachtte verder af. Eventjes gebeurde er niets, maar voordat professor Klingel aan een knopje kon draaien, ging er onder de oogjes een klein deurtje open. Weer bogen de twee naar voren, nieuwsgierig als ze waren.

Maar van binnen was niets te zien! Toch begon daarna het deurtje een geluid te maken. Het geluid wat ze eerder hadden gehoord. Het kwam uit het gat achter het deurtje. Het duurde niet lang en het geluid was zo hard dat de professoren hun oren dicht moesten houden. Plotseling stampte professor Klopper op de grond. "Natuurlijk", schreeuwde hij uit.

"Olie.....", stamelde professor Klopper. "Olie, Klingel. Schiet op. Het heeft honger".

Professor Klingel liep snel naar de werkplaats en haalde een kannetje olie. Eenmaal erin gegoten, hield het schreeuwen direct op. De professoren slaakten tegelijkertijd een diepe zucht.

"Brurp"

"Schroef en draad....het laat nog een boertje ook". De professoren moesten erom lachen.

SK-1-TT-EL (Skittel) was geboren.

 

wordt vervolgd op verhaal 2.

E-mailen
Map
Info