www.ideemachine.nl (Robots&Zo)
                                                                                                 

MOERDIJK. 

Het dorp Moerdijk, gezien zoals ik het zelf in mijn jeugd heb beleefd. We beginnen in 1964.

 

 

 

1964

Mijn geboortedag zal geen tweeduizend jaar later worden gevierd. En dat is maar goed ook, want meestal is van dat soort dagen de wereld niet veel beter geworden. Ik ben trouwens geboren in een ziekenhuis en niet in een stal. Niet echt bijzonder in dat deel van de wereld waar het materialisme en welvaart in de jaren zestig tot een absurd  niveau explodeerden. Waarom mijn moeder naar het ziekenhuis moest, weet ik tot op de dag van vandaag niet. Het verandert de zaak niet, want clementie voor dit soort gevallen is er in ons dorp nooit geweest. Nu doet het mij niets meer, want het gaat nu nergens meer over. Ik heb niet kunnen kiezen. Keuzes maken op dat moment doen namelijk anderen voor je. Misschien wel de huisarts die misschien bevriend was met de gynaecoloog van het betreffende ziekenhuis en nog een gunst had openstaan. Het zou dus kunnen dat geld, macht of het studentikoze netwerk een rol speelde in daar waar ik zou worden geboren. Of onmacht natuurlijk, want toeval bestaat ook. Het werd dus het ziekenhuis van Oudenbosch en niet het ouderlijke huis in mijn dorp Moerdijk.

(De naam Moerdijk is afgeleid van het begrip moor-dicken. Moor of moer is moeras waarin veel veen voorkomt. Een moerdijk werd aangelegd om zo een (tijdelijk) poldertje in het veen te creëren om zout te winnen.)

Veel verschil maakte dat voor mij in directe zin niet. Wees blij dat je wordt geboren! Al denkt mijn schoonvader daar anders over. Van hem mocht het kwakje op de kachel zijn beland, want dan zou het met een sisser zijn afgelopen, vertelt hij keer op keer bij elke gelegenheid en vooral als de brandewijn scheutig is bediend. Wat wel verschil maakte is dat je altijd aan die geboorteplaats wordt herinnerd. Nog steeds geen echt probleem, maar in mijn dorp wel.

“Ge bent gine echte Moerdijker”, was steevast het commentaar op mijn antwoord van de  immer gestelde nutteloze vraag. Oudenbosch betekende niets voor mij. Ik kende er geen straat, geen steeg of – veel belangrijker – een plaats waar je de brede sloot in de polder kon oversteken. Het enige wat mij iets deed is de replica van de Sint Pieter, want daar ben ik in gedoopt. Waarom ik daar ben gedoopt, is mij ook een raadsel. Maar als je ergens moet worden gedoopt – ook daar had ik in die tijd geen enkele invloed op – dan maar in de “kleine” Sint Pieter. Zodoende werd het Katholieke systeem al snel een onderdeel van mijn leven en dat terwijl mijn vader wellicht de grootste atheïst op aarde was. “Het vlees is beter dan de botten” was zijn lijfspreuk. Maar ook mijn vader was destijds geen partij voor de genadeloze gesel van de orde der pastoors die al decennia ongestoord in het zuiden van Nederland rondwaarden. Enfin, pastoors of niet, mijn moeder was Katholiek en een dochter van een boerenknecht. Een persoon die niet gedoopt was, bestond in de ogen van die familie gewoon niet, behalve dan de ketters uit het Noorden. Dat mijn vader zo’n ketter was, deed het bij mijn moeder er niet toe. Liefde is altijd sterker dan het vastgeroeste systeem en zodoende ben ik waarschijnlijk het liefdesproduct van het opbloeiende protest uit de jaren zestig. Letterlijk een plattelandse bevrijding van mijn moeder, maar wel één onder Kerkelijke controle en dus niet zo revolutionair zoals dat wel gebeurde in de wereld van de provo’s. Al moet ik nog wel kwijt dat de winter van 1963 een zware was, gelet op de Elfstedentocht die dat jaar werd gereden en gewonnen werd door de legendarische Paping. Enfin, de temperatuur negen maanden voor mijn geboorte speelde mogelijk ook een rol. Hoe dan ook… Ik deed het goed aan de borst, groeide als kool en we bleven in Moerdijk.  

 

 

vermoedelijk na 1969

 

 

Een kleine donkere steeg met aan het einde het licht is één van mijn vroegste beelden uit mijn jeugd. In die zin leiden mijn eerste herinneringen ook tot een soort van verlichting. Een poging nog verder terug te denken levert niets op. Hooguit de binnenkant van ons huis, maar of dat nou echt een vroeger beeld was dan "de spurt naar het licht", betwijfel ik. Natuurlijk was er de geboorte van mijn zus in 1965 en wellicht zag ik haar als de boze indringster. Toch kan ik geen onenigheid met haar herinneren (gelukkig)....behalve dan de beelden van een pop die zij had gekregen van de Sint en ik zo jaloers was dat de bestendigheid van de pop-haren moest worden getoetst aan de gloeiend hete gaskachel.  

Enfin, de steeg lag achter ons huis en maakte deel uit van mijn vaste driewieler traject wat gelegen was rondom het Koninklijke blok (veel straten waren vernoemd naar leden van het Koninklijke huis). Waarschijnlijk heb ik meerdere malen de boel onveilig gemaakt met mijn kleine driewieler, temeer omdat de steeg erg nauw was. Een vloekende en scheldende buurtbewoner kan ik mij echter niet herinneren. Toen kon je als kind nog op straat rijden zonder dat je in de problemen zou komen. Scheurende scooters en gehaaste automobilisten maakten geen deel uit van het straatbeeld. Trouwens…mocht zo’n ongelukkige een kind in het dorp aanrijden, dan had je vast een flink probleem. Ten eerste kwam je dan waarschijnlijk niet uit ons dorp en dat zou zeker leiden tot een onvrijwillig ziekenhuisbezoek. Ten tweede…kwam je wel uit ons dorp, dan bleef je het verdere leven het mikpunt van spot, inclusief je hele familie en aangetrouwden. Zodoende kon je als kind gewoon de straat op. Dat hadden de Moerdijkers goed geregeld. De politie schitterde daarbij ook door afwezigheid. Ik heb er twintig jaar gewoond en als ik een keer of vijf een politie heb gezien, is het veel. Niet dat er niets gebeurde, nee zeker niet, maar iets ernstig bleef gelukkig ver van mijn bed.

Één scheldende en vloekende buur hadden we wel. “Rooie Knook”, noemde mijn ouders hem, vanwege zijn rode haardos. Mijn vader – normaal de rust zelf -, behalve als er “iets” bij hem knapte en dat gebeurde nogal eens en rooie Knook, lagen nogal vaak in de clinch. Het resulteerde in een lange strijd. De ene keer won mijn vader en sneuvelde de hele witte was van de buren en de andere keer was het weer mijn vader die vloekend en scheldend door het huis baggerde, omdat hij niet had kunnen slapen van de herrie. Het leidde nergens naar, behalve tot een eeuwige tweespalt in onze straat. Ook de buurkinderen, die helaas voor hen als kind de eeuwige last hadden geërfd, werden al snel mijn gedoodverfde aartsrivalen. We vochten nooit. Toch kon ik één keer niet laten om mijn voet net te lang ergens te laten staan. Mijn buurjongen viel om en verloor op het ijs een voortand. (de beroemde winter van ? toen er in het dorp letterlijk op de straat kon worden geschaatst).

Dat ik het was, heeft hij vermoedelijk nooit geweten. Achteraf vind ik het laf (en heb er spijt van), maar ja, stoer was ik eigenlijk nooit. Het kleinste menneke van de school. Zo was ik. Wel watervlug, lenig en slim, maar daar moest ik het mee doen. Vechten, was niets voor mij. Al zat ik al wel snel op judo. Meer dan judo, voetbal en tafeltennis was er trouwens op ons dorp niet en in alle sporten was ik goed, zelfs in Judo. Niemand won een grondgevecht van mij, omdat ik altijd mij eruit draaien kon. Keihard mezelf laten gooien op de mat, was ook een sport voor me. Ik heb hier later altijd voordeel aan gehad, want als ik viel, kwam ik altijd goed terecht. Als een kat met 9 levens. Ooit haalde ik de 2e prijs bij judo en de medaille heb ik nog steeds. Er was altijd één sterkere, een grote (Peter), die ik nooit kon verslaan. Altijd is hij mijn vriend geweest. Ik wist donders goed met wie ik geen ruzie kon maken. Ruzie had ik trouwens sowieso bijna nooit. Ik was een Allemans vriendje. En zo had ik vrienden aan de Katholieke kant van het dorp, maar ook aan de Protestante zijde (waar ik woonde). Ik wist al snel dat vriendelijkheid en plezier hebben niet gebonden was aan een geloof. Bovendien was ik zelf ook niet roomser dan de Paus en haalde heel wat kattenkwaad uit.

Mijn straat lag vlak naast de Protestante school. Ik moest dan altijd een stukkie lopen naar mijn eigen school, die vast zat aan het nonnenklooster ’t Heilig Hart. De eerste hindernis betrof een zwart beeld, hoekig en grillig. Voor mij een sport om via de scherpe randen de zo lastigste route naar boven te nemen.

Meestal liep ik dan verder via de enige brug in het dorp, rondom de Kerk naar de school, maar soms koos ik ook voor een avontuur over de vliet. Via deze sloot was het namelijk korter en bij laag water kon ik via stenen en takken net met droge voeten de overkant halen. Maar soms ook niet. Dus al snel droeg ik laarzen. Het hielp niet veel, want mijn (en die van mijn moeder) herinneringen aan die laarzen zijn; nat, klotsen, druipende sokken en vooral het op zijn kop staan om het water eruit te laten lopen. Later kwam er een bruggetje bij, naast het oude voetbalveld van TPO en dat zorgde voor droge voeten. De sloot was ook belangrijk in de winter. Eenmaal dichtgevroren was de route helemaal top. Nog korter dan eerst en veel leuker. Aangekomen bij de rand van het schoolspeelveld, waar een heg was, sloop ik het speelveld op, want ik werd geacht om voorlangs het schoolplein op te komen. Ooit ben ik één keer in een wak gevallen. Echt helemaal koppie onder en een sterkere en oudere schooljongen sleurde mij boven water. Mijn vader vertelde mij jaren later dat hij ook ooit een keer koppie onder was gegaan, maar toen helemaal bewusteloos was geraakt. Hij zat op een bruggetje te vissen en keek de dobber na.... Te ver natuurlijk. Ene mevrouw Onderwater haalde hem eruit. (echt waar).

 

 

 

 

 

Situatie nu! Vroeger was de sloot veel breder. Het schoolplein begon op de plek waar nu rechts de drie bomen staan. Verderop is de grote brug met daarnaast de Kerk.

 

Eerst even mijn kleine buurt bespreken. Er waren niet heel veel straten. Een viertal kleine straatjes met een tweetal grotere straten die de buurt afsloten. Er waren Noorse woningen (geschonken door de Noorse Koning na de watersnood van 1953) en een paar vrijstaande huizen met als middelpunt de Protestante school en een groot speelplein. Later kwam er nog een sporthal bij. Ik weet nog dat het gebouw werd gebouwd, omdat er veel bouwmateriaal, zand en stenen schuin voor ons huis lag. Het bouwmateriaal deed me niet veel, maar dat zand was natuurlijk een feest. Wat ik mij ook nog herinner is het dood gooien van een kikker tegen de stenen (niet door mij) wat ik akelig vond. De suggestie dat je kikkers ook kon opblazen met een rietje werd naar voren gebracht, maar daar bleef ik ver weg vandaan. De hoek om lag een kleuterschooltje met een grote zandbak. Daar speelde ik veel, temeer omdat er ook bomen omheen stonden waar ik in kon klimmen. Niets lekkerder dan een grote tak waar ik op zat en de wereld rond keek vanuit de hoogte. Vooral in het voorjaar als die bomen vol zaten met bloesem. Achter het schooltje was een veldje. (muren waren vooral om beklommen te worden en te zien wat erachter lag). Op het veldje stonden wel eens schapen. Daar begon mijn eerste proeve van mannelijkheid. Samen met mijn beste vriendje Frenk, die een paar huizen verderop vonden wij de ultieme test uit. Aan de achterzijde van de muur stond een klein schuurtje. De opdracht was simpel....loop een rondje en hopla terug op het schuurtje springen. De uitdaging waren de schapen, want die begonnen direct achter je aan te rennen en als je niet hard genoeg ging, dan kreeg je een flinke klap tegen je kont. Meestal was ik snel genoeg, maar mijn vriendje niet altijd, omdat hij meer risico durfde te nemen.

In mijn straat woonde ook een aantal meisjes. Claudia (die nu in Noorwegen of Zweden woont), Nannie, de zus van Peter en uiteraard mijn buurmeisjes Helmie, Connie en Helga. Iets verderop woonde Peter (goeie voetballer) en de tweeling Johan en Gert-jan.

Achter het veldje bij de kleuterschool lagen de enorme aardappelschuren van Lansen. Voor mij de grootste aller schuren, omdat ze zeker een voetbalveld lang waren. Soms vol met aardappelen en soms ook helemaal leeg. En donker dat het daar dan was! Binnensluipen en aan de andere kant eruit, was zeker het spannendste wat ik in mijn vroegste jeugd ooit had ondernomen. Vooral als de deuren aan de andere kant helemaal dicht waren. Ook waren er vierkante gaten in de grond en je wist dan niet direct of iets verderop zo'n gat lag. Ik kan de geur van die aardappelen-schuur nog steeds naar voren halen en ook het harde schreeuwen van de boer als hij mij ontdekte en weg wilde jagen. Een schim ver weg in het licht....een schim die mij nooit heeft kunnen pakken.

Terug naar ’t Heilig Hart. De school zat vast aan het klooster en was in zijn geheel – behalve aan de slootkant – omringt met een hoge muur. Aan de ene kant was de muur vooral beschikbaar voor het opvangen van de voetballen en aan de andere kant was deze de muur onderdeel van het fietsenhok. Een hok waar ik graag op verbleef. Klimmen was echt een hobby van me (daarover later meer). Bomen, muren, schuttingen, noem maar op. Zo licht als een veertje was het voor mij een koud kunstje om mij overal op te hijsen. Achter het fietsenhok begon een pad wat grensde aan de kerk tuin. Het pad werd één maal per jaar gebruikt voor de Mariaprocessie, maar daar kom ik ook later op terug.

Van de schoolperiode weet ik helaas niet heel veel meer. Een kleuterschool, verstopt in het groen en een lange gang die vastzat aan het klooster. En de kleur......wit.

In 1886 werd ook in Moerdijk een klooster gesticht. Hier woonden vrouwelijke religieuzen die een naaischool en kleuterschool begonnen. In 1908 kwamen daar een kweekschool en huishoudschool met internaat bij. Dit klooster werd in 1944 compleet verwoest. Na de oorlog werden op het terrein van het klooster een parochiekerk en een lagere school gebouwd. De zusters bouwden een nieuw kloostertje aan de Steenweg. De zusters werkten, totdat het klooster in 1976 werd opgeheven, in de wijkverpleging en op de kleuterschool en de lagere school.

 

 

Wat ik wel nog weet, is dat er bij de grote bomen veel struiken stonden met witte balletjes, die je kon uitknijpen. En natuurlijk anderen ermee bekogelen. Ook werd er veel geknikkerd en sommigen waren er heel goed in (Cor). Ik verloor altijd, maar dan ook altijd. Verder weet ik nog van één ruzie zodat ik wel moest vechten opgehitst door de klasgenoten. Tot mijn stomme verbazing sloeg ik mijn tegenstander Jantje (ongewild) een bloedneus en daarna was ik dus iemand om rekening mee te houden. (dit terwijl ik ongeveer 40 cm breed was, haha).

Overigens heeft mijn geweldloze instelling mij later in 2012 enorm in de problemen gebracht, waardoor ik nu werkeloos thuis zit.

Van de lessen op school weet ik dus niet veel en ook de veel namen van nonnen en mijn klasgenootjes ben ik kwijt geraakt (mede vanwege mijn incident in 2012). Er waren jongens van de Rode Vaart (Hans) waar ik wel eens ging spelen. Graag zelfs, want de allercoolste schuur vol gestopt met strobalen lag daar ergens (de boerderij is nu weg, helaas). In het begin heb ik zeker les gehad van de nonnen (Pffff, het lijkt wel of ik in 1864 ben geboren!) en dat deden ze vast wel goed. Al waren ze vermoedelijk behoorlijk streng. Ook herinner ik mij de muzieklessen. Die vond ik niets voor mij. Al waren er wel een aantal die zelfs bij de Oosterhoutse nachtengalen zongen. Met de muziek lerares (Corrie) was dus niets mis.

Toch was de school met de nonnen een bijzonderheid. Dit vooral omdat het Katholieke gedachtengoed flink voorop stond in tegenstelling tot de Protestante en vooral de Openbare school, die naast de brandweer lag. En dat kon ook niet anders zijn, aangezien de kerk van Moerdijk zeker qua uitstraling op één na (de St-Pieter in Oudenbosch) de grootste was in heel West Brabant.

 

Wij moesten van onze pastoor biechten en kregen uiteraard ook godsdienstlessen van deze vriendelijke man. Als er niet werd geluisterd, dan was het flink mis. Ik herinner mij iemand die zelfs op zijn knieën voor het schoolbord moest gaan zitten, terwijl hij twee bakstenen omhoog moest houden. Enfin....beter dan andere geluiden die de afgelopen jaren uit dergelijke instellingen kwamen. Van zoiets heb ik in ieder geval niets meegekregen al werd er werd door jongens aangegeven - als vraag bij het biechten - of zij hun handjes s nachts thuis konden houden.

Het biechten. Dat gebeuren was een ervaring op zich. Iedereen uit de klas moest één voor één naar de Kerk lopen en vervolgens wachten totdat de ander uit de biechtstoel kwam. Niets vervelends aan totdat je voorganger vlak vóór het verlaten van de Kerk nog een paar knikkers door het gangpad heen jaste. Je snap al dat het begin bij de Pastoor niet altijd even gemakkelijk was en je voorganger verlinken, dat deed je gewoon niet. Resultaat meer weesgegroetjes en onze-vaders dan gewoonlijk.

Uiteraard werd ik misdienaar. Niet perse uit eigen geloof, maar het hoorde er gewoon bij. Niet te vergeten....de eerste mis was al om 6 uur s morgens! Dus er waren voldoende misdienaren nodig. Er kletste nogal eens wat wijwater op de grond, tijdens de mis, omdat ik niet goed wakker was. Gelukkig waren de nonnen (die deze ochtendmis vooral bezochten) erg schappelijk en verloste mij van de toorn van onze gemeenschaps-herder. Wat later mocht ik ook de mis draaien op andere tijdstippen, s avonds en in het weekend. De kerkdiensten hadden altijd op Zondag een specialiteit te brengen. Dan kwam Tony Poel en haar dochter naar de mis. Altijd kwamen ze vrij kort tegen het begin van de mis binnen, zodat bijna iedereen omkeek. Dit was standaard op Zondag. Iedereen was stil. Daarna een grote bons om de deur te openen en daar waren ze. Gekleed in een tenue wat heden ten dage niet zou misstaan op de roze maandag van de Tilburgse kermis. Ik had er toch respect voor....iedereen en alles op je gericht, iedereen besprak je, maar Tony en haar dochter lieten geen Zondag voorbij gaan.

De Kerk van Moerdijk was ook een bedevaartsplaats. Dit vanwege een groot Mariabeeld. Het verhaal daarachter ben ik vergeten, maar het zou zomaar kunnen dat het een bloedende of tranende Madonnabeeld is geweest. En één keer per jaar was er een grote bijeenkomst van Maria-aanhangers. Tientallen bussen vol werden er met gelovigen aangevoerd om samen met Maria 3 x rondom de kerk te lopen. Wij misdienaars voorop (met grote kaarsen) samen met de pastoor (die het wijwater verspreidde met de bekende plee-borstel) en de koster (met te veel wierrook). Een wonderlijk geheel, want iedereen erachter droeg ook een brandende kaars. Deze processie heb ik een aantal keren meegemaakt. Later is het verdwenen, omdat - volgens mij - het beeld naar elders werd gebracht. Een doodsteek voor de Katholieke kerk in Moerdijk. Daarna is het nooit meer goed gekomen en wellicht heeft dat ook met mijn verdwijning uit de kerk te maken gehad (grapje).

Mijn vertrek uit de Kerk was een keerpunt in mijn leven. En ik vergeet die dag nooit meer.

Mijn moeder stuurde mij naar de Kerk zo rond 6 uur voor de mis van zeven uur. Maar inmiddels was een andere goddelijk iets in mijn leven gekropen....Star-trek ! Een volstrekte tegenhanger van datgene wat het Katholieke geloof voor ogen heeft. Mijn wereldbeeld veranderde met elke aflevering. Onvergetelijk voor mij was de aflevering waar een tweetal star-trekkers - een man en een vrouw -  op planeet X terecht kwamen samen met Kapitein Kirk en uiteraard Spock. Ze werden door de bewoners van die planeet overvallen en het tweetal werd veranderd, door een vreemd wapen, in een soort gipsblokken ter grootte van een appel. De kubussen werd weggegooid en Kirk mocht er één uitkiezen. Het uitgekozen blokje werd fijn geknepen door de akelige bewoners en de ander kwam weer terug in zijn gewone doen. De vrouw was er niet meer en ik had er echt moeite mee dat de vrouw - een knappe vrouw - er gewoon niet meer was. Het lot besliste en niet God. Tot op de dag van vandaag worstel ik met dat dilemma....bestaat toeval ? of juist niet?

Enfin - na de Tunderbirds en Star-trek - was ik dus voor de Kerk verpest en toen ik op weg was naar de kerkdienst, draaide ik mij plotseling om en keerde terug naar huis. Moeder boos, vader begreep het direct. Einde mis dienaar schap. (Ik heb wel mijn vormsel afgemaakt....het sluitstuk voor de jongere. Met een vettig en zanderig kruisteken op mijn voorhoofd dat door de Bisschop met zijn vinger erop werd gesmeerd.)

Als slot t.a.v. de Katholieke Kerk moet ik toch vermelden dat ik een Jeruzalem-kruis tot ver in mijn pubertijd heb gedragen. Onze Pastoor was naar Jeruzalem geweest en bracht dat speciaal voor ons mee. Helaas ben ik het kwijt geraakt. Enfin, toen dit gedeelte een beetje voorbij was, werd mijn buitenleven op straat en omgeving steeds belangrijker. Waar zal ik eens beginnen.

 

 

rond 1972 vermoed ik.

 

We beginnen in de winter. Veel sneeuw en er was niets leuker dan sleetje rijden. Waar? Nou, op de dijk achter de Julianastraat. En uiteraard op dat stuk wat het meest diep en steil was. Dat stuk lag volgens mij ter hoogte van de Openbare school en vóór een klein fabriekje waar veel hout werd gezaagd. Het stuk dijk was redelijk hoog om naar beneden te glijden, ongeveer zo'n 15 meter, maar het allercoolste was het stuk beneden aan de dijk. Dat was namelijk maar een meter of drie breed en aan het einde...prikkeldraad. Het was een geweldige uitdaging om dat stuk met veel vaart te nemen en dan nog tijdig af te remmen. Spanning genoeg, maar een paar keer prikkeldraad in mijn been heb ik er wel aan overgehouden. Ik heb niet vaak meer zo'n plezier gehad aan de winters, die toen nog echte winters waren! Schaatsen was niet mijn ding, maar als ik ging schaatsen dan was het gewoon op een sloot ergens in de omgeving van het Dorp. Ook heb ik een winter meegemaakt, waarbij het Hollandsch Diep bijna dicht was gevroren. Dat kan je je nu niet meer voorstellen.

Rond deze tijd kwam ook mijn uitzonderlijk gevoel voor de bal naar voren. Van de F1, ging ik naar de D1 en later ook naar de C1. (haha, helaas....er was altijd maar één jeugdteam te creëren). Voordeel was wel dat je altijd samen voetbalden. En ook in onze vrije tijd. Voetbal was trouwens wel een Katholieke bezigheid, dus het waren vooral ook de klasgenoten waar je mee voetbalde. We kenden elkaar door en door. (Jammer, dat ik alle namen niet meer naar voren kan halen.....)

Ik weet dus nog van een voetbalveld wat achter de buitenste muur van het klooster lag, richting de A17 en afgesloten door een grote vliet. (groot....omdat er genoeg ballen in verdwenen en het een hele klus was om deze eruit te halen). En wat een knollenveld was dat. Er is altijd een grap daar ze daar de koeien op lieten en het zou mij niet verbazen als dat echt zo was. Ik weet bijna zeker dat de kantine aan de Steenweg gelegen was en er was ook een frietkot, maar daar ben ik niet zeker van. Ook woonde daar vlak bij, een grote familie, waarvan er één ook bij ons voetbalde. We noemden hem vanaf een bepaald moment, de stekel. Stoer dat dat was....hij was de dus eerste die het durfde om zijn hoofd bijna kaal te scheren. Vandaar ook de bijnaam, de stekel. Hij was de eerste, alle credits voor hem, maar na een tijdje volgde er toch meer.

We trainden met ballen, die je nu alleen nog in oude zwart-wit beelden van het Nederlands elftal zie. Zo hard als een steen en zo zwaar als een basketbal. Ik was linksbuiten in die tijd, maar van de tien keer kreeg ik maar 1 keer zo'n bal voor het doel. Niet hoog natuurlijk, maar dat maakte niets uit, omdat toch niemand zo'n bal durfde te koppen.

Later vertrokken we naar het huidige voetbalveld. Niet dat de ballen of het voetbal er beter van werd, maar van een knollenveld hadden we minder last. Legendarische wedstrijden gespeeld b.v. tegen rood-wit uit st-Willibrord....altijd wel iets aan de hand...knokken, schelden enfin, het gewone voetbal gedoe dus.

-----------------

Wat was er nog meer te beleven in die vóór puberale tijd (1976), nou best veel!

De omgeving van Moerdijk was toen een geweldige uitdaging. Allereerst was er de Appelzak, daar kon je zwemmen (wel uitkijken voor de stenen die plotseling onder water opdoken na een meter of 15 lopen. ), maar vooral was de Appelzak een leeg stuk pas opgespoten stuk land waar je flink hutten kon bouwen. Ik heb nog meegemaakt dat het water veranderde in land en al kort daarna stond het vol met riet en kattenstaarten. In de zomer was het daar dan ook flink pluizig van de pollen die door de lucht heen vlogen en wijzelf hielpen daar ook aan mee. Kattenstaarten waren prima speren of pijlen. Maar ook het gewoon uit elkaar pluizen van die dingen, daar kon je je wel even mee vermaken. Al snel veranderde het gebied nog meer, want het droogde op. Gevolg; enorme spleten in de bodem zodat je goed moest uitkijken waar je liep. Meerdere schoenen en laarzen zijn in die spleten verdwenen. De grond was dus zowel redelijk zacht als stevig en menig hut werd in die riet-jungle gebouwd. Het spreekt voor zich dat het spel vlag-stelen bij ons in trek was. Maar ja, de Moerdijkse jeugd werd nog slimmer. (nou ja, de meesten dan)...We gingen ondergronds. De hutten verdwenen letterlijk helemaal onder het oppervlakte en ik overdrijf niet als ik zeg dat de commando's nog iets van ons konden leren. Veel mensen zijn over onze hutten gelopen, zonder dit te merken. Hutten van wel 6 vierkante meter, bijna hoog genoeg om er te kunnen staan en met verschillende ingangen die een meter verderop lagen. Een prachtige tijd! Maar er was nog meer...

Houthandel Goossens..... 

Dit bedrijf bestaat volgens mij niet meer te Moerdijk. Naast visbedrijf Coman lagen een paar grote bedrijfshallen vol met Houtstapels. Bijna elke week kwam er een flink groot zeeschip in de haven van Moerdijk om te laden of te lossen. Meestal werd dit gedaan door onze grootste vijand, de heftruck-chauffeur met het rode haar. Een flinke sterke man waar je geen ruzie mee moest krijgen. Hij beschermde zijn houtstapels flink (en terecht want achteraf gezien was het levensgevaarlijk voor ons) en schold ons helemaal verrot als hij ons zag. Niets spannender om een target in de hallen uit te zoeken en die ongezien te bereiken. We klommen langs de houtstapels omhoog naar wel 10 meter en sommige wiebelden zelfs als wij erop klommen. De zijkant was een uitdaging, maar de voor en achterkant nog meer, want dat leek op echt bergklimmen, omdat je daar maar enkele uitsteeksels had om je aan vast te houden. Eenmaal boven was het springen van stapel naar stapel.....gekkenwerk, maar ja.

Eén probleem werd altijd creatief opgelost. Als je moest poepen ging je niet naar huis. Nee, er was altijd wel een gat naar beneden waar niemand je zag en de papiertjes aan de stapels dienden als perfect WC papier. Ik vermoed dat dit aspect de heftruck chauffeur ook wel sacherijnig maakte...  

Spannend was ook; de Ankerkuil. Recent is deze helemaal verwijderd en ik ben vergeten om te gaan kijken of.......de geheime gang er nu wel of niet was. Het gebouw de Ankerkuil stond op een verhoging, want onder het gebouw was een grote ruimte. Aan de achterzijde kon je via de ronden bogen naar binnen kijken, maar het was er stik donker. Grote verhalen deden de ronde. In de ondergrondse ruimte waren gangen te vinden, die naar de pastorie zouden leiden en zelfs één naar het gemaal aan het Hollandsch diep richting de Spoorbrug. Die laatste gang zou dus ongeveer 1 kilometer lang moeten zijn. Dat kon wat mij betreft niet langer geheim blijven, dus ik kroop erin. (stom genoeg zonder zaklantaarn). Na ongeveer drie meter, stond ik met mijn laarzen vol in het water en plotseling schoot er een enorme rat voor mij weg. Ik ben er nooit meer in geweest en zodoende weet ik tot op de dag van vandaag niet of er gangen waren. Laten we het zo maar houden....

Helemaal spannend was de Kerktoren van Moerdijk. die stond er gewoon om te worden beklommen. Ik had een klimmaatje gevonden, Wim (van de pielemaus....een soort scheldwoord, waarvan ik nooit begrepen heb waar deze op sloeg.) Enfin, met Wim en zijn grotere broers was niets mis en de jongste ging met mij mee naar boven. Mijn vader en moeder hebben dit nooit geweten. De toren is zo'n 30 a 40 meter hoog en de trots van Moerdijk. Als ik heden ten dage vanuit Zuid-Holland over de (spoor)brug naar Brabant reis, kijk ik altijd naar die toren. Alsof je dan thuis komt!

Het begin van de toren was dicht, maar onvoldoende beschermt om een paar klimgeiten zoals Wim en ik tegen te houden. Binnen in de toren is er elke keer na 8 meter een plateau, die bereikt werd door een rechte stalen trap. Steil naar boven dus en gelukkig stond op elk plateau de trap aan de andere kant, zodat je niet in een enorm gat naar beneden keek. Boven bij de wijzers zijn we zeker geklommen we hebben zelfs nog - op die hoogte - een klein uitstapje buitenlangs gedaan...gekkenwerk op een leeftijd van een jaar of 10 / 11, maar ja het was Moerdijk....daar was zat te beleven als je wat moeite deed. Voor alle jongelui die dit misschien lezen....niet doen.....want voor je het weet, sta je de volgende dag in de krant!

Na verloop van tijd werd uiteraard onze speelomgeving vergroot. De bruggen trokken ons aan en uiteraard ook de haven.

De haven van Moerdijk.

De eerste ontmoeting met de haven was uiteraard hengelen. Niet dat ik het leuk vond, want ik had altijd een visje, die de haak had ingeslikt....Dat vissen was dus snel voorbij, tot teleurstelling van mijn vader die zelfs vanaf zijn 16e had gevist op een echte vissersboot. Nu zijn alleen mijn ome Thijs, mijn neef Thijs en nicht Marijke nog actief als echte beroepsvissers te Moerdijk. Dit terwijl het dorp een enorme geschiedenis had met de beroepsvisserij. (in die gouden tijd - dus vóór de komst van de auto-brug, had het dorp volgens mijn vader wel 9 cafés! kennelijk om het vissersvolk wat afleiding te geven).

Even een uitstapje nu ik het mij toch herinner.

Op een dag kreeg ik werk van mijn opa. Mijn opa woonde in de Julianastraat en was in zijn leven een behoorlijke scharrelaar geweest waaronder groenteboer in Noord-Holland. (veel verhalen gehoord over de oorlog, want een groenteboer in die tijd, was nogal belangrijk, voor Joden, verzet en gewone mensen die het lastig hadden in de hongerwinter van 1944/45.) Hij was geen groenteboer in moerdijk, want dat was Strooisnijder, die nog met een open kar door het dorp reed. Altijd te duur vond mijn moeder, zuinig als ze is en daarmee niet onderkende dat het juist deze kleine zelfstandigen waren die noodzakelijk waren voor het dorp. Zo hadden we nog 2? slagers en 1 bakkerij/supermarkt.

Nou ja,...mijn opa had werk en ik verbaasde mij dat dat werk bestond uit het stoken van een fikkie (geen probleem mee, erg leuk). Het vuur was bestemd voor een groot aantal stukken kabel en de bedoeling was om het omhulsel eraf te branden. Wat overbleef was een prachtige hoeveelheid koper. 100 gulden kreeg ik voor die job. Pas veel later vond ik dit werk toch nogal vreemd....waar kwamen in hemelsnaam die stukken kabel vandaan? Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed dat de NS in die tijd ook nogal wat werk in de nabijheid van Moerdijk te doen had.

Ander werk was het slopen van een klein huisje nabij de haven. Mijn ome Thijs ging een grotere keet bouwen en die staat er tot op de dag van vandaag nog steeds. Loop er binnen en je ziet de Moerdijkse visserij anno 1950 nog terug. Netten boeten met de hand, hoepels maken, netten repareren, veel koffie, is nog dagelijkse gang van zaken daar in die keet. Het slopen van het huisje was ook flink werk en leverde mij ook wat zakgeld op, omdat het allemaal kleine IJsselsteentjes waren.

Verder stonden er bij de haven een aantal kleine huisjes, die er nu ook nog staan. De haven was ion de jaren 70 veel drukker dan nu. Elk jaar kwam de Henry Dunand, het vlaggenschip van het Rode Kruis in onze haven en ook veel binnenvaartschepen.

Een keer kwam er zelfs een groot Marineschip en dat was bij het evenement "Moerdijk te Kijk". Er werd toen groot uitgepakt, want het hele dorp deed mee en alle straten hingen vol met visnetten.

Terug na de haven, want het water was natuurlijk het belangrijkste. Ik leerde daar zwemmen. Gewoon de haven in proberen te zwemmen - op zijn hondjesmanier - en toen dat lukte, zwom ik gewoon in de haven. (Ik denk dat ik misschien wel nog jonger was dan een jaar of acht en zonder zwemdiploma). Let wel, de haven was diep genoeg om grote schepen te ontvangen. Maar ja, in die tijd dacht ik nimmer aan gevaar, want het leven lachte ons toe. In ieder geval duurde het maar heel kort en ik kon zwemmen als een rat.

Daarna begon het duiken. Eerst vanaf een schip, later vanaf de houten steiger (die nu weg is gehaald) en voorts vanaf de kade. Het ultieme was duiken met aanloop, met een koprol en uiteindelijk vanaf het torentje aan de andere zijde van de haven. Dit durfde ik niet, maar enkele jongens wel (Peter). Het duiken was achteraf echt wel gevaarlijk, want ik herinner mij nog een keer dat ik dook en vervolgens met mijn hoofd tegen de onderkant van een binnenvaartschip botste. Gelukkig wist ik mij onder controle te houden en terug te zwemmen, maar moet er niet aan denken als ik de verkeerde richting in had gezwommen. Nog iets......zwemmen in de stroming van een binnenvaartschip. Nooit aan gedacht dat een dergelijk schip ook draaikolken onder water veroorzaakte. Het leukste voor mij was toch de combinatie water en klimmen. Niets leuker om aan de lange touwen te hangen die van de wal naar schip toe liepen. tot zover de haven.

We gaan naar de bruggen.....

Aan het einde van de haven, waren twee pieren en bij de linker pier stonden een lange rij ronde palen van zo'n 2 1/2 meter hoog. Je kon prima van paal naar paal springen, maar als je eraf viel had je wel een probleem. Enfin, vanaf deze pier kon je het Hollandsch Diep overzien, met naar links het grote water richting de Haringvliet en rechts de bruggen. Ik zat graag op die plek - nee, eigenlijk was mijn favoriete plek de grote afwateringsbuis aan de kade, net een kleine waterval - en kon uren lang kijken naar de zon die schitterde over het water. Dat is nu nog steeds zo, maar als je nu naar links kijkt, valt je oog veel meer op de industrie, dan in mijn jeugd.

De weg naar de bruggen was evenzo interessant. Je kon via de dijk, via de grote stenen aan de waterkant of via de spoorlijn, die van de Shell naar Oosterhout liep (is nog steeds zo). Het leuke van de spoorlijn was dat we altijd het rode licht konden aanzetten door gewoon op het systeem te drukken langs de rails. Stond een eeuwigheid op rood zonder dat er ook maar een trein voorbij kwam. Gelukkig ongevaarlijk omdat de overweg eigenlijk alleen voor fietsers was.

De spoorburg en de autobrug zagen er in mijn jeugd hetzelfde uit en ergens in de jaren 70 werd de autobrug vervangen door de huidige brug. Iedereen in het dorp is getuige geweest van de meesterlijke operatie om de delen te vervangen. Eén gedeelte van de oude autobrug ligt volgens mij nu nog bij Raamsdonkveer.

De bruggen zelf waren niet bijster interessant (al waren er wel open toegangen om IN de brug te lopen, maar niemand durfde dit aan). Stel je voor dat de deur werd gesloten! Nu zijn deze deuren wel beveiligt. Lopen over de bruggen kon natuurlijk wel. De autobrug, niet interessant, erg winderig, veel herrie. De spoorbrug des te leuker. Ook daar kan je gewoon naar de overkant lopen en niets spannender als er een trein aan kwam. Je moest je wel ff verbergen achter een of ander brugdeel, maar als de trein weg was, liep je gewoon verder. Nu lukt dat niet meer, want de brug wordt beveiligt. Aan de overzijde lagen bunkers, maar ook een aantal plezierboten. Ik beken.....er is ingebroken in die boten, zonder iets weg te nemen. Wel hebben we gebruik gemaakt van de apparatuur om iets lekkers te koken. Nou ja, het was eenmalig, want eigenlijk beseften we allemaal wel dat dit niet kon.

Iets dergelijks heb ik zelf nog een keer meegemaakt. Langs het terrein van de Appelzak hingen mooie rode en groene vlaggen aan een lange stok. Ik verzamelde ze en kreeg gelijk de waterpolitie op mijn dak. De vlaggen waren zorgvuldig geplaatst door de industrie om aan te geven waar allerlei leidingen lagen, of iets dergelijks. Ik kreeg flink op mijn kop. Natuurlijk waren er genoeg bunkers rondom de bruggen te vinden en ze waren grotendeels ook nog eens toegankelijk. Meer dan rotzooi heb ik er nooit gevonden. De grootste bunker lag bij de spoorbrug en deze kreeg een merkteken van onze groep. Ik kom daar later op terug.

 

Vóór 1980

Tsja, wat weet ik nog van vóór 1980 dus vlak voor mijn echte pubertijd. Ik begon - uiteraard - met roken. Jeetje, wat hebben we wat afgepaft. In die tijd was alles nog betaalbaar. Een frietje met, 1,25 gulden. Pakje sigaretten, 2,25 gulden. Voor een scholier allemaal te doen.  Ja, het WK van 1978 staat mij ook nog goed bij. Vooral de finale, die zo spannend was dat ik soms achter de stoel kroop om te kijken. Samen met Carlo, want Frank had helemaal niets met voetbal. Verder weet ik nog dat één van onze jongste groepsleden, een jong manneke, (sorry, naam kwijt, ? van Gils? )  overleed aan een nier of leverziekte en ook - al weet ik echt niet meer wie precies - een jongen die werd aangereden nabij restaurant Kanters. Dat zijn dingen die wel aankomen in een klein dorp.

Mijn 1e biertje kreeg ik via het raam van ?. Er was een zuipgelegenheid elk weekend in een keet. Deze keet stond beneden aan de dijk. Aan het ene uiteinde had je Café de put en aan de andere kant, deze keet. Ik was een jaar of 13 / 14 toen ik spontaan het biertje kreek aangeboden. Ik vond er niets aan, maar was er wel trots op. Ik ben nooit zo'n drinker geweest en dat was maar goed ook, want na een drie flesjes bier, ga ik al slapen. In de keet waren zodoende wat ouderen en het was het gesprek van de dag in ons hele dorp, toen deze club jongens en meiden gezamenlijk naar een concert van Herman Brood afreisden. Herman Brood, pfff....ver weg, Hollands, seks, drugs en rock and roll. Wat ging onze Brabantse plattelands-jeugd toch doen? Wij - onze categorie was nog niet zo ver, maar dat ging niet lang meer duren. Tijd dus om langzaam over te stappen naar de goede oude brommertijd.

Eerst had ik - voor mijn 16e - een vespa. Ik knapte hem een beetje op en zorgde voor een stoer stuur. Het 1e rondje wat ik reed - uiteraard zonder helm, want de pliesie was toch ver weg, was gelijk bijna mijn laatste. Keihard om de bocht, terwijl ik tegelijktijdig constateerde dat mijn stuur bijna helemaal omhoog was gekomen. Oeps vergeten vast te zetten. Het was zo opgelost, maar lang heb ik niet van dat ding genoten. Een paar dagen later, de pliesie.....brommer kwijt en ik kreeg alleen een zadel terug.

Maar niet getreurd....16 jaar en mijn ouders hadden een fraaie brommer voor me gekocht. Terwijl iedereen Kreidler of Zundapp reed, had ik een Yamaha Enduro, een soort van kleine crossmotor. Ik blij mee, maar wel een probleem.....ik reed 40 a 50 en alle anderen tegen de 90 of zo (en wellicht nog harder). Helaas opvoeren lukte mij niet en als ik dacht dat het mij lukte, reed ik de eerste 10 kilometer 30km/u voordat er de spurt er een beetje in kwam.  

 

1980 en verder

 

Roken en drinken....dat was - buiten brommer rijden - hetgeen wij deden. Vooral buiten bij de openbare school en later overal, want ik mocht al snel roken thuis. Bij dit gedrag hoorde natuurlijk ook meisjes. Afgezien van mijn buurmeisjes waren er nog een aantal meisjes in het dorp die onze aandacht trokken. Maar niet alleen in Moerdijk, want al snel was de soos van Zevenbergsehoek een bekende samenkomstplaats voor onze omgeving. Buiten Carnaval was er in ons dorp niet echt een goede gelegenheid voor. De keet ging volgens mij al redelijk snel ter ziele en bleef over, een tweetal gewone cafés, die vooral bekend waren omdat je daar goed kon biljarten.

Van Carnaval weet ik nog dat ik heb meegedaan als lid van een Rockgroep, terwijl we gekleed waren in de klassieke disco-stijl. Tony, de moeder van Frank, had van een mooie gladde zijde stof, mooie groene blouses in elkaar gezet. Pruik er bij, een oude kar en rocken maar. Van belang is wel dat die tijd eind 70 begin 80 er een aantal verschillende stammen zich aftekenden. Zo had je zeker nog wat van de Beatles, maar vooral The Stones deden het erg goed en dat allemaal terwijl ook de disco enorm zijn intrede deed. Mijn vader klaagde altijd over kattengejank als ik Deep Purple opzette. (NB - ook ik noem de huidige hardcore muziek waar mijn oudste zoon gek op is, hetzelfde....). Terug naar de soos.....alle jeugd kwam daar tezamen en zodoende ook de 1e verkeringen, variërend in tijdsduur van 1 uur tot wel twee weken. Dansen deden we - als jongens - nog niet. Wel headbangen of zoiets. Flink schudden met je lange haar, wat naar beneden hing, op de muziek van Status Quo of Led Zeppelin, net zolang tot je er duizelig van werd.

Na mijn 16e waren er nog een paar dingen die veel deed veranderden......een caravan, een weekend-plek op een caravanstallingsplaats en een paar films.

 

We beginnen met de caravan. De vader van John had een leuke verzamelplek voor ons....een caravan dus, die een beetje verstopt achter de breifabriek lag. Zodoende; een droge plek en niemand die last van ons had. Wie een beetje een beeld heeft van een groep jongeren die de vrije hand krijgen op zo'n plek, weet al een beetje waar het naar toe gaat. Veel drank, veel roken (niet blowen, trouwens !, want zover was ons dorp nog niet) en vooral veel bezoek van vrouwelijk schoon. Wie even in alle rust zich wilde terugtrekken met zijn meisje zonder pottenkijkers, nou plek verzekerd. Ik durf gerust te stellen, dan met carnaval er af en toe een wachtrij stond....

Meisjes waren trouwens niet alleen uit het dorp te vinden, maar elk jaar - in de zomer - was er ook toestroom vanuit de nabij gelegen camping Jolly. En die waren plotseling allemaal veel verder als ons dorpelingen. Afkomstig uit de randstad scheelde nogal. Ik weet nog goed dat ik een keer overvallen werd door een vergaand aanzoek - waar ik helemaal nog niet aan toe was - door zo'n meisje. Van mijn hele groep kreeg ik nogal wat guldens...als ik dat zou doen. Ik durfde niet. (NB......met dat meisje is waarschijnlijk niet veel goeds terecht gekomen, want ik zag haar jaren later in een cel-bezoek-ruimte te Rotterdam waar ze haar zeer criminele vriend opzocht en ongegeneerd voor de politiespiegel (van waaruit een drietal collega's konden toekijken) inging op een speciaal verzoek van haar vriend.)

In die tijd ging ik ook mee met Frenk naar Dordrecht. hij was de enige uit Moerdijk die over de brug naar school ging. Vooral de schoolfeesten waren erg interessant. Allemaal nieuwe gezichten en op het dansen van de muziek van Santana, la bamba, werd snel duidelijk gemaakt, welk meisje jou leuk vond. Ik heb het altijd gewaardeerd, die directheid van mensen van over de brug.

Zelf zat ik op school te Zevenbergen, de Catharina MAVO naast het spoor. Een kleine - strenge Katholieke school met goed onderwijs. Qua beeldvorming; op een dag werd "We don't need no education" van Pink Floyd op de muur geschilderd (s nachts). Wat een heisa op de school....maar ze hebben nooit uitgevonden wie dat erop had gezet. (ik heb wel een vermoeden, want in mijn klas zat een nu in Zevenbergen bekende huisschilder). Het was de tijd van Pink Floyd, Blondie, Bob Marley. Meat loaf, Dire straits, Golden Earing, ABBA en Supertramp enz.  

Nu we het daar toch over hebben.....Blondie, Agnetha en uiteraard Olivia Newton John, een mooie opstap naar de films, maar eerst een andere weekend-plek.

Een van de dames, Bianca (leuke meid trouwens), had een betere plek voor vertier beschikbaar. Nee, geen matrassen-hol, maar een echt honk, waar muziek kon worden gedraaid en uiteraard ook kon worden gedanst. Het was goed vertoeven daar en tegelijkertijd komen wel zo'n 30 jongeren daar terecht. Onze opstap - na de soos- naar de echte (grotere) disco's. In ieder geval ontstonden ook daar nogal wat verkeringen, die zelfs hebben uitgemond in huwelijken. Ik vermoed dat deze plek nog steeds op de caravan-stallingplaats Lansen nabij de A17 gelegen is.

 

Dergelijke disco's waren te vinden in Lage Zwaluwe, Puttershoek en Zevenbergen. Ik koos in 1e instantie voor Zevenbergen en later voor de Freddy-bar in Lage Zwaluwe. Een begrip in onze omgeving destijds.

Eerst een uitstapje naar de films. Jaws had echt een impact. Zoiets hadden we nog nooit gezien! En ik durf best te bekennen dat voor mij zwemmen in het Hollandsch diep nooit meer hetzelfde is geworden als voorheen. De grote persoonlijke omslag - niet alleen voor mij maar de hele groep - was Grease. Met z'n allen naar een muziekfilm......enfin, alleen al voor Olivia wilde je al naar die film. Het verrast mij niets dat ik nu getrouwd ben met een blondine.

De muziek was goed, tot onze verbazing, maar vooral de uitstraling van de Amerikaanse boys. Enkele weken later reden wij allemaal brommer en ons uiterlijk was veranderd van "normaal" naar een echte brommerclub-nozem. Ieder van ons droeg een leren jas al dan niet met franjes en overal kalkten we T-Birds op de muren. Tot aan 2010 heeft er nog T-BIRDS op de bunker bij de spoorbrug gestaan.

Kort daarna - we konden immers met de brommer - kwam iedereen uit Moerdijk en omgeving in de Freddy-bar te Lage Zwaluwe. Ik bleef soms nog wel hangen in Zevenbergen en Moerdijk, want ik biljartte daar (en redelijk goed ook.......jammer dat Frenk, Cor, John en ik niet verder zijn gegaan, want dan hadden we nu misschien wel snooker kampioenen kunnen zijn! ). Enfin....Lage Zwaluwe....de Freddybar, veel meisjes, veel vechtpartijen, Andre Hazes, Doe maar, veel dansen op echte discomuziek en het was dus niet vreemd dat ik daar mijn meissie tegen kwam.

Mooie tijd, mooie jeugd.  

 

 

 

 

E-mailen
Map
Info