Ideemachine.nl
                                                                                                 

Het Dagboek, 4C


De losse tongen.


De zweep zat vrij losjes. Feitelijk niets aan de hand, maar dat leek tijdelijk. Althans, voor de baardmans. Hij rilde en stonk een factor 7 vanwege het opgedroogde zweet. Grote zwarte ogen keken schuin omhoog, naar mij natuurlijk, want ik had zijn leven in mijn grijp-tentakels. Eén kleine duw en de man zou achterover kukelen en de zweep zou zijn losheid verliezen. Soms duurt het 15 minuten voordat iemand door ophanging sterft, zo berekende ik, mits de nek niet wordt gebroken. Ik analyseerde een schamele 8% kans voor een breuk, die voor een snelle dood zou zorgen. Het wit van de ogen schoot van links naar rechts, niet wetende welke zijde hem meer angst inboezemde. Mij, een realborg of de diepte onder hem. Het werd tijd om van deze situatie gebruik te maken. 

"Wat is je naam?, vroeg ik, omdat ik ook wel nieuwsgierig was of baardmannen wel een naam hadden. De vraag verraste de man, want hij stamelde een paar onduidelijke woorden. Na nogmaals mijn vraag te hebben gesteld, werd het duidelijker.

"Simp-el-Eziél". 

"Oké, mijn naam is Minox. Je snapt hopelijk dat ik en deze arme slaven weg willen uit de hel". 

"Eh, ik weet niet wat een hel is, beste....Mutuk", antwoordde hij. Ik berekende meteen dat zijn angst voor mij minder was dan de kans op een akelige dood, dus daar moest ik wat aan doen. 

"Luister Simp-el-Eziél, zie je dit? Dit is een vuurbrander en daar heb ik de meeste vrienden van je mee gedood. Als ik het in je oor stop, dan koken je hersenen uit je ogen, terwijl je blijft leven", loog ik. Ben ik duidelijk?" Hij knikte. 

"Oké, de hel dat ben ik en ook de situatie van deze arme zielen. We willen weg en jij gaat ons daarmee helpen, goed?"

Dit keer geen antwoord maar een knik van begrip. 

"Wat is de snelste weg om hier vandaan te komen. En geen leugen, want dat merk ik meteen. Bovendien...één kleine duw en je bent dood. Als je meewerkt dan laat ik je vrij, begrepen?" Hij knikte weer. 

"Nou, kom op..."

"Eh....Nou, de kortste weg is naar Bab-ar-Zuma, maar die zit vol verkeer en dus ook eh...met handelaren. Een betere weg is de route naar West, richting de grens van de Onrust". De man keek me nu langer aan in de hoop dat ik hem zou geloven. En dat deed ik, want zijn huid van de hand gaf geen galvanische reactie en ook de spieren in zijn nek bleven in dezelfde spierspanning-frequentie. 

"Hm....de grens van Onrust. Hoever reizen is dat?"

"Eh, één nachtreis. We kunnen er morgenochtend zijn, maar ik ga niet de grens over hoor".

"Waarom niet?"

"Nou, achter de grens is vals gebied. We kunnen tot aan de grens en als dan de sla....eh die mensen naar Zuid lopen, komen ze aan bij de stad Sichta. Dat is veilig gebied". Ik berekende wederom geen leugen, maar het gaf ook zorgen. Vals gebied.....een onbekende stad waar ik niets van kon berekenen. 

"Waarom is die stad veilig voor hen?", vroeg ik. 

"Nou, het is hun eigen gebied. Ze zijn de Onrust ontvlucht en zitten allemaal daar". 

"Maar daar zitten dan toch ook de handelaren. Hoe komen ze anders aan deze mensen?" Mijn vraag was essentieel, want ik wilde geen fouten met deze arme lieden maken. De man dacht even na.

"Ik begrijp dat je niet veel van deze wereld kent. Maar ja, je komt dan ook uit Mutuk. Luister, Robot, het is veilig gebied, maar de stad is overvol. Daarom lopen de meest gezonde mensen vanaf die stad naar een nog beter gebied, richting de Gansa-streek met de stad Smerst, maar dat is dan wel dwars door de moerassen van Gelf. Dat is zeer gevaarlijk gebied, want daar verblijven de eerste handelaren, de oppakkers. De pakbeesten met hun lange poten kunnen makkelijker lopen daar". 

"Maar, als de stad Sichta overvol is en er komen steeds meer vluchtelingen uit de Onrust. Waarom helpt niemand ze dan?", vroeg ik. De man begon meteen te lachen. 

"Haha....hulp....uit Mutuk zeker. Nee, die houden hun straatjes droog. Geen vluchtelingen welkom. Ze geven wel wat hulp hoor, maar de mensen moeten daar vooral blijven of op eigen gelegenheid naar de Gansa-streek lopen. Daar is meer voedsel". 

"En Mutuk stuurt dan geen vervoersmiddelen of zo?" Weer een lach.

"Nee, hoor. Mutuk heeft andere zaken aan hun hoofd. Dat weet je toch zelf ook wel?" Ik knikte maar. 

"Oké, is er nog een andere optie?" De man schudde zijn hoofd. Ik analyseerde de gegevens en berekende dat ik dan toch maar richting de grens moest gaan. Daar zou ik een besluit moeten nemen. Ik probeerde voor dat besluit alvast wat informatie te verzamelen, maar dat werden dan ook de laatste vragen, want de tijd drong. 

"De Onrust...kan ik daar naar toe?", vroeg ik en lette nauwkeurig op zijn fysieke informatie. Hij knikte en de galvanische reactie schoot meteen omhoog. Hij loog. Informatie hierover zou ik bij mijn mede-reizigers moeten halen. 

"Nog één vraag en dan ga je dit beest besturen naar de grens". Weer een knik.

"Waar komt al dat vuil vandaan?" De man knipperde met zijn ogen en een dikke frons verscheen op zijn voorhoofd. 

"Uit Mutuk natuurlijk. Weet je dat niet?" Ik gaf geen antwoord. Het werd mij duidelijk dat Mutuk een economische grootmacht moest zijn die de nadelen weglegde bij andere - arme - mensen. Ik moest er naar toe. Economie en vuil van geavanceerde stoffen, betekende ook de mogelijke aanwezigheid van snelle voertuigen. En snelheid....dat had ik nodig, want ik had al 21 dagen verloren ten opzichte van RAW. 

Ik spoorde de man aan om te beginnen. Achterom kijkend zag ik de groep drommels dicht bij elkaar zitten. Deze hel was voor hen nog niet voorbij, maar ik kon geen geluk toveren. Het afzetten op een "veilige" plek was het uiterste van mijn mogelijkheden, zo berekende ik. Natuurlijk...ik zou ze allemaal naar de Gansa-streek kunnen begeleiden, maar dat betekende dan ook het einde van mijn opdracht. En mijn systemen berekende nog steeds dat de opdracht voorrang had. 90% mens is geen echte mens, analyseerden mijn robot-wetten. Helaas troffen deze lieden een robot van de aarde. Maar toch....zo concludeerde ik ook. Ze waren tenminste vrij en het pad van hun lot was veranderd. Hoe het lot verder zou verlopen....dat weet alleen het lot. 

Zo ook voor mij. 

Poot voor poot stapte de wants vooruit. Het was gewend aan oneffenheden, want het struikelde niet één keer. Het bovenblad waar we ons op bevonden hield zich keurig horizontaal en ik berekende dat de baardmans een goede controle over het dier had. Hoewel de stappen hoorbaar waren, kleine tikken en soms een brekend iets, maakte het beest zelf bijna nooit een geluid. Een enkele keer gaapte het beest, althans zo leek het. Onze chauffeur gooide af ten toe een lekkernij vooruit waardoor het beest eventjes versnelde. Hoe dan ook, alle bevrijde slaven sliepen door. Behalve Lammy. Ik besloot naar hem toe te kruipen.

"Wil je niet slapen Lammy? De tocht is nog lang", zo begon ik, terwijl ik naast hem ging zitten. Mijn loop-tentakels gekruist en ik boog een beetje voorover zodat mijn licht-sensoren op gelijke hoogte met zijn ogen kwam. Hij keek mij aan en ik berekende een waakzame blik doordat hij telkens naast mijn hoofd keek alsof hij elk moment de handelaars verwachtte. Ik stelde hem gerust en gaf aan dat ik bezoek van verre afstand kon waarnemen. Ook in het donker. 

"Ben jij echt een Mutukse machine?", vroeg Lammy. Ik schudde mijn hoofd, maar berekende niet of ik de waarheid kon vertellen. Ik liet het ergens in het midden. 

"Ja en nee Lammy. Ik ben wel een machine, maar kom niet uit Mutuk. Waarom denk je dat?".

"Mutukse bechna's hebben ook machines en ik hoorde dat ze zelfs op bechna's lijken", zei hij enthousiast. "Maar ik heb er nog nooit één gezien, hoor. Opa Simeon wel, maar die heeft daar moeten werken tot ze hem de vrijheid hebben gegeven". 

"Is je opa ook hier", vroeg ik en probeerde mijn nieuwsgierigheid een beetje te verbergen. "Nee, opa is dood gegaan in de schuur", antwoordde de jongen. Ik zag meteen groene tranen in zijn ogen. "Vreselijk", zo berekende ik. "Wordt je vrijgelaten en dan kom je weer in gevangenschap".  

"Je vader en moeder...zijn die ook hier?" Ik analyseerde dat deze vraag gevaarlijk was, maar het was al te laat. 

"Nee...ook dood en mijn broers en zussen ook", snikte hij. Mijn conclusie-systeem kreeg spijt van de vraag, maar gaf geen verdere handeling aan. Ik deed maar wat ik mensen ook had zien doen en legde mijn grijptentakel op zijn schouder. Pas toen zag ik de striemen en een schuine blik naar zijn rug bevestigde mijn analyse. Lammy was flink beschadigd. Ik wreef over zijn rug. Lammy rilde een paar keer. Hoelang zou het niet geleden zijn dat iemand dit bij hem deed. Het snikken verminderde. 

"Lammy, ik moet via de Onrust naar West, naar Mutuk." Lammy schrok meteen van deze opmerking en zijn ogen werden groot. "Via de Onrust....maar dat lukt je nooit, weet je", zei hij en even was hij bang. Mijn analyse was juist. "Je hoeft niet mee, hoor. Wees gerust". Deze woorden stelden hem inderdaad gerust en een diepe zucht volgde. Ik keek naar de chauffeur. Die deed nog steeds wat hij moest doen en een scan van de omgeving levende niets meer op dat een paar andere wants in de verte, niet op onze route. Ik richtte me weer op Lammy en probeerde iets anders.

"Vertel eens Lammy. Wat is er met jouw volk gebeurd?", vroeg ik. De ogen van Lammy begonnen te flikkeren van opwinding. Hier was iemand - een machine weliswaar - die van zijn volk wilde weten. Hij ging even verzitten, zodat hij recht tegenover mij zat, rechtte zijn rug en begon. 

"Nog voor de Rode schijf, Al-Rot begon te schijnen, dwaalden de Vormers door het grote niets. Ze sprongen van witte stip naar witte stip en trokken de mooiste kleuren in de hemel. Op een dag raakten ze één Vormer kwijt en hij landde - gewond - op onze donkere schijf. De grond van de schijf gaf hem een deken over zijn wonden, maar het was niet genoeg. Hij brandde van binnen en was koud, zo boven, als beneden. Ook mistte hij de kleuren en besloot de schijf te veranderen. Eerst kneedde hij Al-Rot, daarna het hoge, de diepte, het vloei en het schijnsel boven ons. Om dit te vieren schonk hij zichzelf 7 ringen, de één nog mooier dan de andere, maar vrienden werden ze nooit. De Vormer schiep voorts het groen, de stralen en de waai. De ene maakte hem warm, de andere koelde zijn hitte. Maar steeds brandde hij van binnen. Om de hitte te verzachten maakte hij de kleine bewegingen. Zwaaiers vlogen in zijn haar. Woelers kropen in zijn huid, Slissers kronkelden op zijn gelaat en zo maakte hij zijn plezier. Maar het was niet genoeg. De Vormer was alleen en had niemand om mee te praten. Mijn volk, de Jamaï werd als eerste gekneed uit het stof en gras van de grote vlakte. En de Vormer had het goed met de Jamaï. Wij leefden van wat het land ons bracht, zongen lof over zijn daden en maakten uit eerbied de mooiste stenen. De rode schijf, warm en woest kon de pracht van onze stenen niet verwelken en onze zang nimmer verschroeien. Maar op een dag, Al-Rot stond hoog aan het schijnsel, maakten we een fout. Een straal uit het schijnsel zorgde voor vuur en het vuur schonk ons de glans. De glans schroeide, het sneed...en het verwoestte.  

Boos maakte de Vormer, de Baarden, de Leng, de Mutuk en de Kleinsten. Allemaal grof van gemoed en vuil van inzicht. Het grote getroebel begon. Eerst maakten de Leng ruzie met de Baarden. Daarna de Mutuk met de Kleinsten. Toen de Baarden ook nog met de Mutuk en de Leng maakte vrienden met de Kleinsten. Daarom kregen de Kleinsten ruzie met de Baarden en de Mutuk met de Leng. Nog later splitsten de Leng en de Kleinsten in nieuwe stammen. Het duurde niet lang en de Leng vochten met de Leng en de Kleinsten met de Kleinsten. Of de Vormer dit had bedoeld weten we niet, maar hij splitste ook de Mutuk en de Baarden. Het gevolg, iedereen vocht met iedereen en dat gebeurt gelukkig op een vaste plaats". Lammy zuchtte diep. 

"Ik vrees dat je de Onrust bedoelt, klopt dat?"

"Ja, daar wordt gevochten. Al eeuwen lang en nog nooit is er een beetje vrede geweest. Als je daar doorheen moet, dan zal je ook moeten vechten. Ik heb zelfs gehoord dat ze blij worden van gevechten, duels en vernederingen. Dat laatste overkwam ons volk. We bemoeiden ons met niemand, maar door al dat vechten, bleef er werk liggen in de Mutukse steden. Ook de vuilnis werd niet meer opgehaald. Daarom werden wij door hen tot slaven gemaakt. Wij konden niet vechten zeiden ze, dus waren we niets waard. Het laagste van het laagste. Nu is het ons lot geworden en hier in het veld van Drek en Mud wordt al het vuil van de schijf verzameld om te worden uitgezocht. Ook dit doen we al eeuwen lang en er veranderd nooit iets". Lammy viel stil en een dikke groene traan droop over zijn wang naar beneden. 

"Wat goed van je, dat je dit durft te vertellen tegen mij. Dank je. Ik kan niets voor je volk doen, Lammy, maar jij wel. Je hebt kracht en je bent slim. Misschien moet jij je volk wakker maken en ....."

"Ook vechten zeker? Nee, dat weigeren we. Ons volk heeft besloten om te wachten op de Vormer. Hij moet ons redden, want wij hebben dit niet verdiend." Lammy straalde nu kracht uit. Zijn ogen stonden groot en hij ademde zorgvuldig en beheerst. Ik knipperde met mijn licht-sensoren en zette mijn analyse-systemen aan om te rekenen tot een oplossing. Die kwam er niet. 

"Het is goed Lammy. Op een dag zal de Vormer jullie helpen. Dat berekenen ik zeker", loog ik. Ik probeerde nog iets meer te weten te komen al werd mijn alert-systeem nu al actief in het berekenen van de informatie.

"Weet jij of er een route is in de Onrust, die ik kan nemen?", vroeg ik. Lammy begon te denken en het duurde best lang. 

"Ik heb van de ouderlingen gehoord dat alleen een groot strijder door de Onrust kan reizen". Plots stak hij een vinger op. "Misschien door de lucht, haha, maar jij bent geen vleugelaar". 

De woorden vielen niet meteen in mijn conclusie-systeem, maar het rekende en rekende en toen....

"Nee, maar dit wel", zei ik terwijl ik op de wants z'n rug klopte.   


wordt vervolgd op 5A. 

E-mailen
Map
Info